ECLI:NL:HR:1979:AB7450
Hoge Raad
- Cassatie
- Dubbink
- Drion
- Haardt
- Royer
- De Groot
- Rechtspraak.nl
Nietigheid derdenbeding wegens misbruik van omstandigheden en goede trouw in saneringsakkoord
In deze zaak stond centraal de vraag of een in een overeenkomst opgenomen derdenbeding nietig was wegens misbruik van omstandigheden en of de goede trouw nakoming van dat beding belette. De eiser, een van de seniores en voormalig aandeelhouder en directeur van de vennootschap, was door de verweerster, een besloten vennootschap, gedagvaard voor betaling op grond van dit derdenbeding en een rekening-courantverhouding.
De feiten betroffen een saneringsplan waarbij de seniores, die in financiële moeilijkheden verkeerden en hoofdelijk borg stonden voor een grote banklening, hun vermogen aan de vennootschap zouden afstaan boven een vrijstelling van ƒ 100.000. De juniores, mede-directeuren en aandeelhouders, hadden dit beding opgenomen om de sanering mogelijk te maken. De eiser stelde dat sprake was van economische dwang en misbruik van omstandigheden, en dat het beding onredelijk bezwarend was.
Het Hof had geoordeeld dat ondanks de dwangpositie en het feit dat het beding niet strikt noodzakelijk was voor de sanering, het beding geoorloofd was omdat het een redelijk alternatief bood ten opzichte van faillissement. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, overwegende dat misbruik van omstandigheden niet automatisch leidt tot nietigheid en dat het Hof terecht had meegewogen dat zonder het beding de seniores hun gehele vermogen zouden verliezen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat het Hof de begrippen oorzaak, misbruik van omstandigheden en goede trouw juist had toegepast. Er waren geen aanwijzingen dat de juniores een onevenredig voordeel hadden bedongen. De goede trouw belette nakoming van het beding niet. De eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het derdenbeding blijft geldig.