ECLI:NL:HR:1980:AC1632
Hoge Raad
- Rekestprocedure
- Dubbink
- Drion
- Haardt
- Martens
- de Groot
- Rechtspraak.nl
Vereiste duurzame gemeenschappelijke huishouding voor erkenning medebewoner als huurder
In deze zaak verzochten verzoekers de kantonrechter om erkenning van de medebewoner als medehuurder van een gehuurde woning. De kantonrechter en de arrondissementsrechtbank wezen het verzoek af omdat de relatie tussen de partijen was beëindigd en de gemeenschappelijke huishouding niet meer een duurzaam karakter zou hebben.
De Hoge Raad stelde dat artikel 1623h van het Burgerlijk Wetboek bescherming biedt aan degene die duurzaam met de huurder samenwoont, ook als de relatie op het moment van het verzoek wordt beëindigd maar de huishouding nog voortduurt. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het verzoek kennelijk slechts strekte tot het op korte termijn verkrijgen van huurderspositie.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de arrondissementsrechtbank en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor verdere behandeling met inachtneming van deze uitspraak. Hiermee wordt bevestigd dat de bescherming van medebewoners niet verloren gaat door het voornemen de relatie te beëindigen zolang de duurzame huishouding nog bestaat.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van de vereiste duurzame gemeenschappelijke huishouding.