ECLI:NL:PHR:2003:AK4841
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt medehuurderschap na duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een geschil over medehuurderschap van een woning die oorspronkelijk werd gehuurd door betrokkene 2. Verweerster voerde aan dat zij sinds circa 1980 een duurzame gemeenschappelijke huishouding met betrokkene 2 voerde en medehuurder moest worden. De kantonrechter wees de vordering aanvankelijk af, stellende dat niet was voldaan aan de vereiste duur van twee jaar gemeenschappelijke huishouding voorafgaand aan het vertrek van betrokkene 2.
In hoger beroep oordeelde de rechtbank dat verweerster wel haar hoofdverblijf in de woning had en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met betrokkene 2, mede gebaseerd op getuigenverklaringen en bewijsstukken zoals poststukken en gemeentelijke gegevens. De rechtbank vernietigde het eerdere vonnis en bepaalde dat verweerster medehuurder was vanaf 1 maart 1998.
De erven van betrokkene 1 en eiser 3 stelden cassatie in tegen dit vonnis. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, waarbij ook de verwachting omtrent de toekomst werd betrokken. De Hoge Raad overwoog dat de hogere rechter vrij is een andere bewijswaardering te geven dan de lagere rechter, mits dit voldoende wordt gemotiveerd. Ook werd bevestigd dat het samenwonen van ouders en kinderen niet automatisch een duurzame huishouding inhoudt, maar bijzondere omstandigheden dit kunnen wijzigen.
De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten en bevestigde dat verweerster medehuurder is, waarbij de motieven en bewijswaardering van de rechtbank als begrijpelijk en voldoende gemotiveerd werden beoordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verweerster medehuurder is van de woning op grond van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.