Uitspraak
,
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een fietsenstalling kan worden aangemerkt als bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW (thans art. 7:290 BW Pro). De huurder had een fietsenstalling gehuurd die volgens verhuurder uitsluitend als zodanig werd gebruikt en verhuurd, terwijl in het contract het woord 'handel' was opgenomen door een vergissing.
De rechtbank en het gerechtshof hadden geoordeeld dat de fietsenstalling onderdeel uitmaakte van het kleinhandels- en ambachtsbedrijf van de huurder, mede omdat de huurder aan de overzijde van de straat een rijwiel- en bromfietshandel met reparatie-inrichting uitoefende. De stalling werd gezien als een gewaardeerde dienst binnen dat bedrijf.
De Hoge Raad oordeelde echter dat niet was voldaan aan de wettelijke eis dat de ruimte krachtens huurovereenkomst bestemd moet zijn voor de uitoefening van het kleinhandels- of ambachtsbedrijf. Er moest sprake zijn van instemming van verhuurder dat de ruimte als onderdeel van de bedrijfsruimte wordt gebruikt, wat niet was vastgesteld. Daarom werd de beschikking vernietigd en verwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.