Uitspraak
Strafkamer
nr. 76.533
ED
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te
[woonplaats].
1. Het begrip noodweer rechtens wordt gekarakteriseerd als een rechtshandhavingsinstituut en het proportionaliteitsbeginsel daartoe als reguleringsmechanisme functioneert (vgl. bijv. HR 1-5-79, DD 79.261). Die functie zou niet, althans niet in bevredigende mate, aan dat beginsel kunnen worden ontleend, als het geheel, althans in overwegende mate, aan de burger is overgelaten, te bepalen welke wijze van verdediging en welk verdedigingsmiddel proportioneel is.
De burger die zich te zijner verdediging van een vuurwapen voorziet en daarmede steeds in geladen toestand op zak loopt, trekt bij voorbaat een wissel op het oordeel dat de rechter zal geven over de evenredigheid tussen doel en middel als hij in een noodweer-waardige situatie is geraakt en van dat wapen gebruik heeft gemaakt; terwijl toen hij het wapen bij zich stak, van generlei aanval sprake was.
Deze wijze van vooruit lopen op het rechterlijk oordeel staat de honorering van een beroep op noodweer resp. noodweer-exces in de weg, als dat verdedigingsmiddel òf gezien de specifieke aard van dat middel en/òf gezien de capaciteiten van de verdachte om dat middel in een noodweersituatie op een aangepaste wijze te hanteren, hoe dan ook en reeds bij voorbaat als onevenredig moet worden gekenmerkt.
Ware dat anders dan zou het proportionaliteitsbeginsel niet meer goed als reguleringsmechanisme kunnen voldoen.
Dat geldt in het bijzonder als die uitsluitingsgrond als een verontschuldigingsgrond wordt aangemerkt (vgl. de rechtspraak inzake overmacht in geval van eigen fout of nalatigheid van verdachte; bijv. HR 9-10-1979, NJ 80, 45). Verwezen moge worden voorts naar de volgens Duits recht verbonden gevolgen aan "Schuldhafte Herbeiführung der notwehrlage" (Sch./Schr. 21e dr., aant. 58 e.v. sub par. 32: "im Prinzip unbestritten ist ..... dass..... bei einer..... schuldhaften Herbeiführung der Notwehrlage die Berufung auf par. 32 ausgeschlossen oder nur beschänkt möglich ist"). Deze aan het Duitse recht ontleende zienswijze valt op daar de Duitse rechter toch in het algemeen niet al te spoedig geneigd lijkt de burger die zich tegen een ''Angriff" verdedigt in de kou te laten staan; terwijl anderzijds het beroep op weerbaarheid in de Nederlandse samenleving traditioneel geen vruchtbare voedingsbodem vindt.
I. in de gemeente [plaats] op 27 september 1981 opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd hebbende zij, verdachte, daar toen opzettelijk uit een pistool een kogel afgevuurd in de richting van het lichaam van genoemde [slachtoffer 2] waardoor deze een perforerende schotverwonding van de rechterlong bekwam, ten gevolge waarvan hij is overleden;
II. in de gemeente [plaats] op 27 september 1981 ter uitvoering van haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk uit een pistool een kogel heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van genoemde [slachtoffer 1] , waardoor deze werd getroffen in de rechter borst, zijnde de uitvoering, van haar, verdachtes, voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen ten gevolge van de van haar wil onafhankelijke omstandigheid dat genoemde [slachtoffer 1] niet is overleden.
Op 27 september 1981 heb ik in een lifthal van de [flat] te [plaats] welbewust uit een pistool, dat ik met scherpe patronen geladen had, een kogel afgevuurd op een man, die naar ik later vernam [slachtoffer 2] heette. Ik hield dat pistool daarbij op korte afstand gericht op de romp van die [slachtoffer 2] .
Op 27 september 1981 zag ik nabij de [flat] te [plaats] het lichaam van een man liggen. Die man vertoonde geen tekenen van leven, De volledige personalia van die man luiden [slachtoffer 2] .
Het lijk van [slachtoffer 2] werd mij overhandigd door [verbalisant 2] , brigadier van gemeentepolitie te Amsterdam. Na schouwing is mijn conclusie, dat [slachtoffer 2] is overleden tengevolge van een perforerende schotverwonding van de rechterlong, ontstaan doordat een afgevuurde kogel bij de rechterschouder was binnengedrongen.
Op 27 september 1981 liep [slachtoffer 1] een schot verwonding op van de rechterborst tussen de Ie en de IIe rib, waarbij de rechterlong was geraakt en de kogel in zijn rugspier terecht was gekomen.
dat het hof de opzet om [slachtoffer 1] van het leven te beroven bewezen acht, nu verdachte door uit - naar zij wist - een met scherpe patronen geladen pistool, welke zij hield op een afstand van 1 ½ meter van die [slachtoffer 1] te richten op en daaruit een kogel af te vuren in de richting van de rechter schouder van die [slachtoffer 1] , zich, naar zij toen moet hebben begrepen, heeft blootgesteld aan het aanmerkelijke risico dat de dood van die [slachtoffer 1] het gevolg zou kunnen zijn en het van algemene bekendheid is dat zulk een handelwijze veelal de dood pleegt te veroorzaken.
Verdachte heeft echter de grenzen van de noodzakelijke zelfverdediging overschreden door [slachtoffer 1] met het vuurwapen in de borst te schieten.
Gezien haar ervaring met vuurwapens en de geringe afstand tussen haar en [slachtoffer 1] moest zij in staat geweest zijn hem te raken in minder vitale delen van zijn lichaam. Vel acht het hof aannemelijk dat het schieten, zoals zij dit daar toen deed, het onmiddellijk gevolg is geweest van haar hevige gemoedsbeweging door de onderhavige overval veroorzaakt, nu zij zich kennelijk door haar paniek- en angstgevoelens van dat moment niet de tijd en de rust heeft gegund op minder vitale lichaamsdelen te richten.
Hieruit volgt dat het beroep op noodweer faalt maar het beroep op noodweer-exces opgaat..
23 oktober 1984.