Conclusie
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
met dat opzet, met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten en daarbij een kogel in het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard, dat wil zeggen: op de koop toe heeft genomen.
Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra- indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De verdachte moet zich van deze aanmerkelijke kans bewust zijn geweest. Uit de wijze waarop hij heeft geschoten kan worden afgeleid dat hij die kans ten tijde van het schieten op de koop toe heeft genomen.
Ook door het schieten met een vuurwapen op [slachtoffer 2] is het hof van oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] hierdoor zou komen te overlijden en was aldus het opzet van de verdachte voorwaardelijk op dat gevolg gericht.
Ik ben vervolgens de huiskamer helemaal doorgelopen, deze is acht meter lang. Ik heb tijdens het lopen door de huiskamer het vuurwapen doorgeladen omdat het anders niet schiet.
Ik heb mij toen omgedraaid, gedreigd met het wapen en ik heb toen gezegd dat ik wilde hebben dat zij mijn huis uit zouden gaan.
Toen [slachtoffer 1] mij op korte afstand was genaderd heb ik geschoten.
Ik heb in de huiskamer twee keer geschoten met het pistool. De eerste keer weigerde het pistool, toen heb ik meteen doorgeschoten.
Het vuurwapen moest doorgeladen worden, dit heb ik al lopend door de huiskamer gedaan. Toen ik schoot zei hij 'het is een pistool' en toen gingen ze allebei weg.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 november 2012 verklaard -zakelijk weergegeven-:
4.Het eerste middel
Kwalificatie
5.Het tweede middel
Noodweer
Naar 's hofs oordeel was - ter zake van het onder 1 ten laste gelegde - door de onverwachte aanwezigheid van de -twee- mannen in zijn huis, de mededeling van [slachtoffer 2] dat het betalingsgeschil 'goedschiks dan wel kwaadschiks' opgelost moest worden en de worsteling met [slachtoffer 1], waarbij het de verdachte feitelijk werd bemoeilijkt zijn huis te verlaten om aan de mannen te ontkomen, weliswaar sprake van onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, maar is het hof van oordeel dat de gekozen gedraging van de verdachte, te weten het op zeer korte afstand met een vuurwapen gericht schieten op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] in de beperkte ruimte van de woonkamer - als verdedigingsmiddel - in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Immers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren ongewapend, kwamen om een langslepende kwestie 'goedschiks al dan niet kwaadschiks' uit te praten en de verdachte, die met een smoes naar zijn computerkamer wou om het vuurwapen te halen, heeft [slachtoffer 1] opzij geduwd om naar zijn computerkamer te kunnen komen, waardoor de worsteling ontstond, waarbij de verdachte niet is geslagen.
(…)”
Geboden door de noodzakelijke verdediging3.5.1. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenaamde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.
Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid – bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv Pro optredend persoon - hier van belang zijn.
Bij de beoordeling van de vraag of de gekozen wijze van de noodzakelijke verdediging tegen de aanranding geboden was, heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte, in de beperkte ruimte van de woonkamer, op zeer korte afstand met een vuurwapen [3] gericht heeft geschoten op het bovenlichaam van [slachtoffer 1]. Nu zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] ongewapend waren, langskwamen om een langslepende kwestie ‘goedschiks al dan niet kwaadschiks’ uit te praten en door de gedragingen van de verdachte een worsteling met [slachtoffer 1] is ontstaan waarbij de verdachte door deze laatste niet is geslagen, is het hof van oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in rov. 3.5.3 van het hiervoor aangehaalde overzichtsarrest heeft overwogen, heeft het hof bij zijn oordeel de juiste maatstaf gehanteerd.