Conclusie
1.Inleiding
2.Bespreking van het cassatiemiddel
middel 1), de motivering van de schadebegroting (
middel 2), het oordeel over de wettelijke rente (
middel 3), het passeren van een bewijsaanbod (
middel 4), het oordeel dat CAV een tegenvordering kan verrekenen met de schadevordering van de boedel (
middel 5), en het oordeel dat onvoldoende is gesteld om uit te gaan van een rechtsgeldige cessie en verpanding (
middel 6). Ik bespreek middel 3 als laatste.
[eiseres] inzicht [zal] moeten geven in de omzetten en netto-opbrengsten van dezelfde soorten lelies in de jaren voor het jaar 2008. Wat er met de lelies is gebeurd en wat deze hebben opgebracht, is bekend. Voor beantwoording van die kernvraag zal de deskundige moeten kunnen vaststellen of inschatten wat de toestand van de lelies was op het moment dat deze met Rudis werden bespoten en wat de voor de groei en kwaliteit van de lelies van belang zijnde omstandigheden waren of zouden zijn geweest wanneer niet met Rudis was bespoten.”
om aan te tonen dat [A] dan een grote(re) opbrengst van zijn lelies zou hebben gehad. [eiseres] heeft onvoldoende gegevens overgelegd om, anders dan met een grove schatting, vast te stellen wat de uitval door Botrytis zou zijn geweest; over uitval in eerdere jaren heeft [eiseres] nagenoeg niets bekend gemaakt.” en (in de eerste rov. 6.8 EA) [2] “
[eiseres] heeft ook niet gesteld dat de sporen van de Botrytis uit de kas waren verdwenen.”
onderdelen 1 tot en met 4heeft het hof miskend dat de omkeringsregel van toepassing is. Volgens
onderdeel 5zijn de oordelen van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, nu [eiseres] , kort gezegd, heeft aangevoerd dat de omkeringsregel dient te worden toegepast.
onderdeel 1(zoals toegelicht in middel 2, onder C, onder 1, 4 en 5) bouwt voort op de in middel 1 verdedigde toepassing van de omkeringsregel en faalt om de eerder gegeven redenen. Het onderdeel faalt ook omdat de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel op de benadeelde liggen. [7]
onderdelen 2 en 3komen erop neer dat het hof bij het bepalen van de opbrengst zonder gebruik van het middel Rudis ten onrechte niet, dan wel onvoldoende begrijpelijk, is ingegaan op bepaalde stellingen van [eiseres] .
Onderdeel 2heeft geen zelfstandige betekenis naast onderdeel 3. Onderdeel 3 klaagt over vijf punten.
eerstepunt van onderdeel 3 klaagt (mede gezien de toelichting onder C onder 2) kennelijk over het oordeel van het hof om ervan uit te gaan dat de voorjaarsteelt in 2008 niet 912.000 stelen betrof (waarvan de deskundigen blijkens rov. 4.1 EA waren uitgegaan), maar 697.000 stelen. Het hof motiveert in rov. 4.4 en 4.5 EA waarom het tot dit oordeel is gekomen. De klacht maakt niet duidelijk waarom deze motivering niet zou volstaan en faalt daarom. Ten aanzien van de omvang van de najaarsteelt lees ik geen klacht in het middel.
tweedepunt van onderdeel 3 zijn (mede gezien de toelichting onder C onder 6) ten onrechte twee soorten (Salmon Pride en Bariton) niet meegenomen in het deskundigenrapport in de najaarsteelt. Deze klacht mist feitelijke grondslag. [10] Het hof heeft deze soorten genoemd in de tabel in rov. 7.1 (Salmon Pride 111.300 en Bariton 40.000).
derdepunt van onderdeel 3 (mede gezien de toelichting onder C onder 3) veronderstelt, is het hof wel ingegaan op de stelling dat als [A] geen Rudis had gebruikt, [A] de (gestelde lichte Botrytis) aantasting zou hebben bestreden met toegelaten middelen. Zie rov. 6.9 EA.
vierde en vijfdepunt van onderdeel 3 (mede gezien de toelichting onder C onder 6) wordt verondersteld, is het hof in rov. 6.4-6.10 EA uitgebreid ingegaan op het uitvalpercentage in de hypothetische situatie dat het middel Rudis niet zou zijn gebruikt. Daarbij heeft het hof gemotiveerd waarom het op bepaalde onderdelen afweek van het deskundigenrapport. In rov. 6.4 EA is voorts overwogen dat de uitvalpercentages niets te maken hebben de plantdichtheid.
Er is in hoger beroep geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan ter zake van een bepaalde stelling over een betwist, concreet feit.”
onderdelen 1 en 2betogen in de kern genomen dat het hof ten onrechte respectievelijk onbegrijpelijkerwijs heeft geoordeeld, dat [eiseres] niet wordt toegelaten tot bewijslevering door getuigen, omdat [eiseres] een relevant en gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan en heeft aangegeven wat de bij naam genoemde getuigen konden verklaren.
v) Deze schade beloopt minstens € 300.000,- als onder meer aangegeven in de akte, gedeponeerd ter griffie bij de rechtbank in eerste aanleg en als aangegeven als prod. 2 aan deze memorie van grieven;”. Dit aanbod is herhaald in nr. 27 onder e van de memorie na verwijzing en in nr. 34 onder v van de pleitnota in hoger beroep van 30 juni 2016.
onderdelen 1 tot en met 3komen erop neer dat het hof miskent dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening indien zijn verplichting strekt tot vergoeding van schade die hij opzettelijk heeft toegebracht, dan wel dat een beroep op verrekening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als het gaat om een vordering tot vergoeding van schade die opzettelijk en/of willens en wetens is toegebracht, althans dat het hof een onbegrijpelijk gemotiveerd oordeel heeft gegeven in reactie op de daartoe strekkende stellingen van [eiseres] .
klacht aan het slotvan middel 5 nog betoogt. Overigens meen ik dat het door het middel genoemde bewijsaanbod niet kenbaar ziet op het door [eiseres] gestelde opzettelijk of willens en wetens schade toebrengen.
onderdelen 4-7(de onderdelen 1-3 ontbreken) klachten tegen de laatste volzin van rov. 5 van het tussenarrest van juli 2016, waarin het hof overwoog: “
Ten aanzien van de, door de curator vernietigde, cessie en verpanding, overweegt het hof dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld om in dit geding, in weerwil van de (niet aangetaste) vernietiging door de curator, uit te gaan van een rechtsgeldige cessie en verpanding.”
onderdelen 4, 5 en 6klagen in de kern dat het hof in de beoordeling van de stelplicht van [eiseres] ter zake haar vorderingsgerechtigdheid op grond van cessie en/of pandrecht onvoldoende onderkend heeft dat bewijs van de rechtsgeldigheid van het beroep op de pauliana door de curator tegen [eiseres] in de verhouding tussen [eiseres] en de curator op de curator rust (
onderdeel 4); dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de vereisten van cessie en verpanding (
onderdeel 5); en dat het oordeel onjuist is in het licht van de gemotiveerde betwisting door [eiseres] jegens de curator en het niet berusten in de verklaring tot vernietiging van de curator, waar de bewijslast ten aanzien van een geldig beroep op de pauliana ter zake de vernietiging van de cessie en de verpanding op de curator rust (
onderdeel 6).
onderdeel 7is het oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de onder D van middel 6 genoemde stellingen van [eiseres] . Aan het
slotvan middel 6 wordt geklaagd dat het hof [eiseres] ten onrechte niet heeft toegelaten tot bewijs van haar stelling in de memorie van grieven nr. 30 onder vii). [15]
[eiseres] niet heeft aangegeven wanneer iedere schadepost is geleden”.
onderdelen 1, 2 en 3 onder 1)van middel 3 geen bespreking. De toelichting onder C onder 6 bij middel 3 bevat nog een klacht die slechts verwijst naar middel 4. Deze klacht behoeft geen afzonderlijke bespreking.
.