Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 7 mei 1984 betreffende de aan hem voor het jaar 1979 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Belanghebbende, die is geboren in 1950, oefent onder de naam [B] , het beroep van fysiotherapeut zelfstandig uit. Aanvankelijk oefende hij zijn praktijk uit in een door hem gehuurd pand te [Q] .
dat belanghebbende de vraag bevestigend beantwoordt op de gronden in het beroepschrift vervat, terwijl de Inspecteur primair de vraag ontkennend beantwoordt en subsidiair het standpunt verdedigt dat de door belanghebbende gevraagde investeringsbijdrage van 23 percent slechts verleend kan worden voor het daadwerkelijk in de praktijk gebruikte gedeelte van het pand, te weten de parterre, waaraan zijns inziens een waarde kan worden toegekend van ƒ 57.500,--, voor welke standpunten hij de gronden aanvoert in het vertoogschrift.''
dat partijen ter zitting aan de door hen aangevoerde respectievelijke gronden het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover hier nog van belang - hebben toegevoegd:
Ingevolge het bepaalde in artikel 61a, lid 1 en lid 2, aanhef en letter a – voor zover te dezen van belang – van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals de tekst luidt voor het jaar 1979, wordt ingeval bij het drijven van een onderneming in een kalenderjaar een bedrag van meer dan ƒ 2.100,-- in bedrijfsmiddelen wordt geïnvesteerd, een gedeelte van het investeringsbedrag aangemerkt als investeringsbijdrage. Dit gedeelte bedraagt voor nieuwe gebouwen 23 percent.