Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden in 2012 en 2013 drie appartementen als Bed & Breakfast in de vorm van een commanditaire vennootschap. Elk appartement bestond uit woon- en eetkamer, keuken, slaapkamer en badkamer. De vraag was of deze appartementen in aanmerking kwamen voor de willekeurige afschrijving voor startende ondernemers volgens artikel 3.34 Wet IB 2001.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de appartementen als woonhuizen moesten worden aangemerkt op grond van artikel 3.45, lid 1, letter d, Wet IB 2001, waardoor de willekeurige afschrijving niet van toepassing was. Het Hof stelde vast dat de aard en inrichting van de appartementen wezen op woningen en dat de tijdelijke bewoning als Bed & Breakfast de bestemming als woonhuis niet wijzigde.
Belanghebbende stelde in cassatie dat deze beoordeling onjuist was, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer. De Hoge Raad bevestigde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de appartementen woonhuizen zijn en dat de feitelijke waarderingen van het Hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.