Uitspraak
[woonplaats].
die woningenaanwezige personen te duchten was.
22 september 1987.
Hoge Raad
Op 11 maart 1984 stichtte de verdachte brand in zijn woning door opzettelijk een theedoek aan te steken, waarbij gevaar voor belendende woningen en levensgevaar voor aanwezige personen werd veroorzaakt. Het Hof Amsterdam veroordeelde hem in hoger beroep tot vijf maanden gevangenisstraf voor opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad onderzocht onder meer of sprake was van eendaadse of meerdaadse samenloop van de misdrijven zoals bedoeld in artikel 55 en Pro 57 Sr. Het Hof had artikel 57 Sr Pro toegepast, maar de Hoge Raad oordeelde dat het feit één materiële handeling betrof en dus eendaadse samenloop, waarvoor artikel 55 Sr Pro van toepassing is.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat het Hof niet had voldaan aan artikel 63 Sr Pro door onvoldoende rekening te houden met eerdere veroordelingen van de verdachte, wat nietigheid van het arrest tot gevolg had. Ook was er onduidelijkheid over de toepassing van artikelen 14a en 14b Sr in combinatie met de opgelegde onvoorwaardelijke straf.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het Hof te ’s-Gravenhage voor hernieuwde berechting en beslissing. Hiermee werd het eerdere vonnis van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam vernietigd en het oordeel van het Hof Amsterdam onhoudbaar verklaard.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.