Uitspraak
5 april 1991.
Hoge Raad
De vader verzocht bij de kinderrechter een informatieregeling vast te stellen waarbij hij driemaal per jaar schriftelijk geïnformeerd zou worden over de schoolresultaten, vakkenpakketten en gezondheid van zijn kinderen, alsmede jaarlijks een recente foto zou ontvangen. De moeder voerde verweer tegen dit verzoek.
De kinderrechter wees het verzoek af, en het Gerechtshof bekrachtigde deze beschikking. De vader stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze beslissing, waarna de moeder voorwaardelijk incidenteel beroep instelde.
De Hoge Raad overwoog dat het hof de bezwaren van de kinderen tegen de gevraagde informatieverstrekking niet op zichzelf als beletsel zag, maar deze in samenhang met de overwegingen van de kinderrechter dat het verstrekken van informatie spanningen en onrust bij de kinderen zou veroorzaken, heeft meegewogen. Deze belangenafweging was feitelijk en niet onbegrijpelijk, en bevatte voldoende motivering.
Daarom werd het principaal beroep van de vader verworpen. Het incidenteel beroep van de moeder kwam niet aan de orde omdat de daarvoor gestelde voorwaarden niet waren vervuld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de afwijzing van het verzoek tot informatieregeling blijft in stand.