ECLI:NL:HR:1995:AA3055
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepasselijkheid van EU-verordening op premieheffing volksverzekeringen bij grensoverschrijdende zelfstandige arts
Belanghebbende, een in Nederland woonachtige huidarts van Duitse nationaliteit, verrichtte in 1985 zijn werkzaamheden deels in Duitsland en deels in Nederland. Voor dat jaar werd hem een premieheffing volksverzekeringen opgelegd door de Nederlandse inspecteur. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd, maar het Hof te 's-Hertogenbosch vernietigde deze en beperkte de premie tot een bedrag gerelateerd aan de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën stelden cassatieberoep in tegen het hofarrest. De kern van het geschil was de toepasselijkheid van Verordening (EEG) nr. 1408/71 op de situatie van belanghebbende, die als zelfstandige arts in twee lidstaten werkzaam was. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet onder de personele werkingssfeer van de verordening viel omdat hij geen werknemer was en het Duitse stelsel niet als wetgeving in de zin van de verordening gold.
De Hoge Raad stelde vast dat belanghebbende wel degelijk als zelfstandige onder de personele werkingssfeer van de verordening valt, ook al was een deel van zijn werkzaamheden in Nederland van ondergeschikte betekenis. Op grond van artikel 13 en Pro 14 bis van de verordening is de Nederlandse wetgeving van toepassing op de premieheffing. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en bevestigde de aanslag van de inspecteur. Tevens concludeerde de Advocaat-Generaal tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van de verordening.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de premieheffing volksverzekeringen voor belanghebbende en vernietigt het hofarrest.