Op 29 oktober 2010 overleed de moeder van belanghebbende, die vijf kinderen naliet. Tot de nalatenschap behoorde een woning die volgens de Wet WOZ voor 2010 gewaardeerd was op €576.000, later verlaagd tot €457.000. Bij testament was belanghebbende onterfd maar kreeg hij twee legaten toegekend, waaronder een bedrag van 10% van het saldo van de nalatenschap.
Belanghebbende ontving een bedrag van €45.697,84, maar de Inspecteur legde een erfbelastingaanslag op waarbij de waarde van het legaat werd vastgesteld op €62.430, gebaseerd op de WOZ-waarde van €457.000. Belanghebbende voerde aan dat de waarde van het legaat gelijk moest zijn aan het daadwerkelijk ontvangen bedrag of de economische waarde van de woning rond het overlijden, gesteld op €325.000 of €375.000.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de waardering voor erfbelasting moet volgen uit de Successiewet, waarbij de WOZ-waarde als maatstaf geldt. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd. De Hoge Raad stelde dat de WOZ-waarde de juiste waarderingsgrondslag is en dat de belastingrechter de onherroepelijke WOZ-waarde niet kan verlagen in deze procedure.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee is de vaststelling van de erfbelastingaanslag op basis van de WOZ-waarde definitief bevestigd.