Conclusie
Koninklijke Beroeps-organisatie van Gerechts-deurwaarders,
1.De prejudiciële vragen
2.Feiten en procesverloop
Toerekening van betalingen op een vordering en enkelvoudige of samengestelde berekening van contractuele vertragingsrente” (de Gerechtsdeurwaarder 2013, nr. 2, p. 12-16).
Het begrip kosten in artikel 6:44 BW Pro is - anders dan het gelijknamige begrip in artikel 6:47 BW Pro:
Bij de kosten dient bijv. te worden gedacht aan executiekosten of aan de kosten die zijn gemaakt om de prestatie te ontvangen, maar door het uitblijven daarvan hun doel hebben gemist”.
no cure no pay-basis berekende buitengerechtelijke kosten in een letselschadezaak), [6] besloot het hof in zijn tweede tussenarrest van 2 december 2014 ook prejudiciële vragen te stellen over matiging van bedongen buitengerechtelijke incassokosten. Daartoe overwoog het hof:
redelijk” is in vorenbedoelde zin, is voorbehouden aan de feitenrechter, is het hof op grond van hetgeen [appellante] heeft aangevoerd en voorts ook in aanmerking nemend het door de Hoge Raad op 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2797) gewezen arrest voornemens ook op het punt van de omvang van de gevorderde kosten prejudiciële vragen te stellen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
4.2.1. Voor uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenissen tot betaling van een geldsom geldt de staffel als regelend recht. Indien partijen niet anders zijn overeengekomen wordt als tarief in beginsel de staffel van het Besluit BIK toegepast. De wetgever heeft geoordeeld dat in het Besluit BIK geregelde gevallen het tarief van de staffel redelijk is.
nietbedongen incassokosten, waarbij bovendien van belang waren: de weigering van het aangesproken ziekenhuis om aansprakelijkheid te erkennen, de (gestelde) financiële onmacht bij de gelaedeerde en de “no cure no pay”-afspraak van de gelaedeerde met zijn rechtsbijstandverlener. Niettemin heeft de Hoge Raad in dat arrest ook in algemene zin overwegingen gewijd aan redelijke kosten (ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en) ter verkrijging van voldoening buiten rechte. De Hoge Raad overwoog:
3.4.1. Redelijke kosten (…) en ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen op de voet van art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder (..) en c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding door de aansprakelijke partij (Parl. Gesch. Boek 6, p. 337), behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (art. 6:96 lid 3 BW Pro). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd.
kunnenkomen is reeds duidelijk. Een vraag of dergelijke kosten
steedstoegewezen dienen te worden is niet aan de orde, omdat daarop in algemene zin hoe dan ook geen bevestigend antwoord is te geven. De eis dat het om
redelijkekosten moet gaan geldt immers onverkort.
jegens de schuldenaarredelijk moeten zijn. Gelet hierop heeft het hof in zijn voorgestelde vraag 2 de werkelijke kosten (tussen haakjes) nader omschreven als daadwerkelijk gemaakte uren door de rechtshulpverlener maal een redelijk uurtarief. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat het begrip “daadwerkelijke kosten” een andere en/of ruimere betekenis toekomt, kan dat in de beantwoording van de vraag aan de orde komen. De door het hof geformuleerde vraag biedt daarvoor naar het oordeel van het hof ruimte. Bovendien heeft vraag 4 ook betrekking op dit punt.”
het in de incassobranche gebruikelijke percentage” gaat er naar het oordeel van het hof aan voorbij dat er geen sprake is van “
één incassobranche”. Gelet hierop en op de in art. 242 Rv Pro. gestelde eis dat de kosten
jegens de schuldenaarredelijk moeten zijn, heeft het hof de formulering “
in de branche waarin beide partijen opereren gebruikelijk incasso percentage” gehanteerd. Indien de Hoge Raad aan de in art. 242 Rv Pro. vervatte zinsnede “
gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht” een andere en/of ruimere betekenis toekent, kan dat in de beantwoording van de vraag aan de orde komen. De door het hof geformuleerde vraag biedt daarvoor naar het oordeel van het hof ruimte.
of een vergelijkbaar percentage” aan de vraag of het uitmaakt of de schuldenaar zelf ook het door de schuldenaar gehanteerde percentage gebruikt in verhouding tot zijn schuldenaren, neemt het hof niet over, omdat niet duidelijk is wat “
een vergelijkbaar percentage” is. Bovendien geldt ook hier dat, indien de Hoge Raad deze vraag bevestigend zou beantwoorden en daarbij tevens van oordeel zou zijn dat ook een in (zeer) geringe mate afwijkend percentage relevant is, dat in de beantwoording van de vraag aan de orde kan komen.
in beginsel als uitgangspunt kan gelden” conform het voorstel van [appellante] wordt vervangen door “
in beginsel als uitgangspunt dient te gelden”.”
3.Buitengerechtelijke incassokosten en art. 6:44 lid 1 BW Pro (vraag 1)
soft lawlaat zien dat ‘kosten’ (al dan niet na de verschenen rente, maar in ieder geval) vóór de hoofdsom worden geïmputeerd. De betekenis van ‘kosten’ is in dit verband niet steeds duidelijk.
3.21.2bedoelde systematische argumentatie. [46] Een en ander is hierboven al aan de orde gekomen.
niet-bedongen) kosten dat zij moeten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, van kleur verschieten indien het tot een procedure komt (art. 241 Rv Pro) en door de rechter ambtshalve kunnen worden gematigd op de voet van art. 242 Rv Pro.
redelijke kosten.Wanneer de matigingsvraag rijst, wordt het bedrag van de
bedongen kostendus afgezet tegen de
redelijke kostenals bedoeld in art. 242 Rv Pro.
aangesloten bij de regel van artikel 6.1.9.2 lid 2 onder b enc, waar het in de eerste plaats aankomt op de vraag of de betreffende kosten jegens de wederpartij ,,redelijk” zijn.
daarnaast te zoeken naar een zekere mate van tarifering, zoals deze zich in de praktijk ter zake van de proceskosten reeds heeft gevormd. Uitdrukkelijk wordt daarom in artikel 57b lid 1 bepaald dat de rechter heeft te letten op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan degenen die opdracht geven tot de inning van hun vordering, gewoonlijk in rekening worden gebracht.
Daarbij dient in de eerste plaats te worden gedacht aan de tarieven waartegen b.v. deurwaarders, kantongerechtsgemachtigden en incassobureaus plegen te werken. Voor wat betreft deurwaarders, is dit vastgelegd in de algemene incassovoorwaarden van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders, volgens welke de opdrachtgever in de regel 15% van het geïnde bedrag verschuldigd is, exclusief verschotten en met een minimum van in totaal f 18,75, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de deurwaarder die heeft moeten procederen, het toegekende salaris voor de gemachtigde behoudt. Gelet op de belangrijke rol die in incassopraktijken wordt gespeeld door vorderingen die ver beneden de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter liggen (f 3000,—), komt dit tarief niet onredelijk voor, waarbij moet worden bedacht dat de deurwaarder bij de inning van de grotere vorderingen moet goed kunnen maken wat hij in dit stelsel op de kleinere pleegt te verliezen.
Het ligt derhalve voor de hand om bij de vaststelling van die vergoeding uit te gaan van wat de eiser overeenkomstig de gebruikelijke tarieven in rekening is gebracht. Dit dient ook het uitgangspunt te zijn bij de beantwoording van de vraag tot welk bedrag een door de opdrachtgever van de wederpartij bedongen vergoeding mag worden gematigd.
Hetzelfde geldt voor de tarieven waartegen advocaten de incasso van vorderingen op zich plegen te nemen; het gaat hier onder meer om een degressief schijventarief, dat voor grote vorderingen daalt tot 2% over de top.
ook tot tarifering te komen van de bedragen die een wederpartij die niet tijdig betaalt, aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd zal zijn, hetzij rechtstreeks, hetzij ingevolge een door de rechter gematigd beding. Deze tarifering kan aan de praktijk worden overgelaten, zoals thans ook de tarieven voor het salaris van de procureur en van de gemachtigde, bedoeld in de artikelen 57 en 57a aan de praktijk zijn overgelaten. Zo kan de oplossing voor de kantongerechtszaken worden gezocht in een op de nieuwe wet af te stemmen richtlijn van de Kring van Kantonrechters, waarbij overleg met hen die zich met de incasso-praktijk bezighouden tot de mogelijkheden behoort.
Wettelijke regelshieromtrent zijn niet op hun plaats en
zouden ook afbreuk kunnen doen aan de soepelheid waarmee een tarief als hier bedoeld moet kunnen worden gehanteerd. Voor de rechter behoort dit immers te fungeren als een richtlijn die enerzijds voor de praktijk in de regel voldoende zekerheid biedt om discussies overbodig te maken en anderzijds voldoende ruimte geeft om in bij-zondere gevallen onredelijke resultaten te vermijden.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
II.6 Stelplicht
4. Tarief
business-to-business(B2B) heeft aanvaard, [99] acht de werkgroep zich onvoldoende geëquipeerd om voor een deel van de vorderingen wel een B2B-staffel te introduceren. Voor het geval in een concrete B2B-incasso de staffel van het Besluit BIK ontoereikend is, geldt het volgende.
6. Hogere of volledige vergoeding mogelijk?
ermee rekening houdend dat dergelijke gemaakte kosten reeds vergoed kunnen zijn door de interest voor de betalingsachterstand.
Deze richtlijn laat nationale bepalingenbetreffende de wijze van sluiting van contracten of
betreffende de regulering van de geldigheid van voor de schuldenaar onbillijke contractuele voorwaarden, onverlet.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
menen met mij dat de richtlijn niet voorschrijft dat schuldeisers aanspraak kunnen maken op een volledige vergoeding maar slechts op een redelijke vergoeding, en wijzen in dat verband terecht op de in nr. 17 van de considerans bij de richtlijn genoemde mogelijkheid van een aanvullende vergoeding op grond van het nationale recht. Daarbij dient dan wel rekening te worden gehouden met het vergoedend karakter van de door de richtlijn geïntroduceerde hoge interestvoet. Deze leden hebben echter de indruk dat de richtlijn voor de bepaling van de redelijkheid van de vergoeding in beginsel uitgaat van de daadwerkelijk gemaakte kosten en dat vervolgens alleen dient te worden gekeken naar de redelijkheid van de omvang van die kosten. Op grond van artikel 6:96 BW Pro wordt in de jurisprudentie niet alleen de redelijkheid van de omvang van de gemaakte kosten getoetst, maar ook de redelijkheid van het überhaupt maken van de desbetreffende kosten. De formulering in de richtlijn laat, aldus deze leden, de rechter minder ruimte om te oordelen, dat bijvoorbeeld inschakeling van een deskundige door de schuldeiser in het kader van de voorbereiding van de invordering niet nodig was en de daaraan verbonden kosten om die reden geheel voor zijn rekening moeten blijven. Naar ik meen staat de richtlijn niet in de weg aan een dubbele toetsing zoals die in het Nederlandse recht geschiedt.
Dat de richtlijn aanspraak geeft op een «redelijke schadeloosstelling door de schuldenaar voor alle relevante invorderingskosten ontstaan door diens betalingsachterstand» laat naar mijn overtuiging ruimte om in een concreet geval te oordelen dat de vergoeding niet mede kosten behoeft te omvatten die niet redelijkerwijs zijn gemaakt. Zowel in de toevoeging in de richtlijn dat het moet gaan om «relevante» invorderingskosten als de nadere eis dat de kosten moeten zijn «ontstaan door de betalingsachterstand» kan hiervoor ruimte worden gevonden.Zo zal in een geval waarin terzake van een aanrijding door de WAM-verzekeraar aansprakelijkheid is erkend, bezwaarlijk van deze verzekeraar mede vergoeding kunnen worden gevorderd van door de schuldeiser ingewonnen verhaalsinformatie met betrekking tot die verzekeraar. Op grond van de wettelijke waarborgen van solvabiliteit van verzekeraars kan immers inschakeling van een verhaalsinformatiebureau als overbodig worden beschouwd. Dergelijke kosten zullen ook bij toepassing van de richtlijn van vergoeding kunnen worden uitgesloten, nu zij niet relevant zijn c.q. in te ver verwijderd verband tot de betalingsachterstand staan om te kunnen gelden als daardoor veroorzaakt.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
stel ik voorop dat de eis van transparantie in de richtlijn als zodanig betrekking heeft op de door de schuldeiser gemaakte invorderingskosten. De schuldeiser zal derhalve duidelijk moeten maken waaruit die kosten bestaan.Voorts wijs ik op het rapport Voorwerk II, dat door de leden van de VVD-fractie werd genoemd en waarover deze leden vroegen wat daarvan de status is. Dit rapport is naar aanleiding van in de praktijk bestaande onduidelijkheden over de vordering en de toekenning van vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten opgesteld door een werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, en het is laatstelijk gewijzigd in november 2000.
In dit rapport zijn aanbevelingen voor de rechter ontwikkeld voor de beoordeling van vorderingen terzake van boetebedingen, bedongen buitengerechtelijke kosten alsmede terzake van niet-bedongen buitengerechtelijke kosten.Het rapport, waarop mijn ambtsvoorganger in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer breder is ingegaan, beoogt meer eenduidigheid te brengen in de wijze waarop vorderingen terzake van buitengerechtelijke incassokosten worden onderbouwd en de wijze waarop zij worden afgedaan.
Met de in het rapport neergelegde aanbevelingen wordt de praktijk voldoende duidelijkheid geboden. De richtlijn noodzaakt naar mijn overtuiging niet tot een nadere regeling terzake in het wetsvoorstel.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
een redelijke schadeloosstelling ontvangen voor de invorderingskostendie aan betalingsachterstand toe te schrijven zijn. De invorderingskosten moeten ook een vergoeding omvatten voor de administratiekosten en de interne kosten die als gevolg van de betalingsachterstand worden gemaakt; hiertoe moet deze richtlijn voorzien in een vast minimumbedrag, dat gecumuleerd kan worden met interest voor betalingsachterstand. De toekenning van een schadeloosstelling in de vorm van een vast bedrag moet ten doel hebben de aan invordering verbonden administratieve en interne kosten te beperken. Vergoeding van invorderingskosten moet worden bepaald zonder afbreuk te doen aan nationale bepalingen volgens welke een nationale rechter een schuldeiser een vergoeding kan toekennen voor extra schade in verband met de betalingsachterstand van een schuldenaar.
waaronder met name kosten die schuldeisers moeten maken voor het inschakelen van een advocaat of incassobureau.
Het besluit voorziet in een vergoedingenregeling die de schuldeiser een redelijke schadeloosstelling biedt voor de ten gevolge van de betalingsachterstand ontstane invorderingskosten, zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 van Pro de richtlijn.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
Dit betekent dat de regeling bij vorderingen op een schuldenaar die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, van regelend recht is.
Vanzelfsprekend blijft de norm van art. 6:96 BW Pro gelden dat de incassokosten redelijk dienen te zijn en in redelijkheid dienen te zijn gemaakt.
Verder verwacht ik dat de wettelijke maximale vergoeding voor incassokosten als leidraad kan dienen wanneer bedrijven afspraken maken over de vergoeding voor incassokosten. Zo zou de wettelijke regeling ertoe kunnen leiden dat een beding in de algemene voorwaarden dat in grote mate afwijkt van de regeling in de amvb doordat veel hogere incassokosten worden gevraagd, als onredelijk bezwarend kan worden beschouwd (vgl. artikel 6:233 BW Pro).” [onderstreping toegevoegd; A-G]
Bovendien is er in het algemeen geen aanleiding om aan te nemen dat er meer handelingen moeten worden verricht en meer incassokosten worden gemaakt om een vordering op een bedrijf te innen. Ik ga er van uit dat de voorgestelde incassokosten dan redelijkzijn. Meerdere staffels bevorderen de eenvoud van de regeling niet. Ik voel dus niet zo veel – of om het helderder te zeggen: weinig – voor deze benadering.
De incassobureaus en het bedrijfsleven geven echter aan dat de incassokosten dan wel kostendekkend en redelijk moeten zijn. Die zijn, anders dan de minister stelt, hoger dan bij consumenten, bijvoorbeeld omdat er sprake is van ingewikkeldere vorderingen, zoals vorderingen op buitenlandse bedrijven. Die situatie is totaal anders dan bij consumenten. Dat rechtvaardigt een andere staffel. Ik ben dan ook nog niet overtuigd door de negatieve opmerkingen van de minister daarover. Ik verzoek hem dus nogmaals om daar nog eens goed over na te denken.
VNO-NCW geen behoefte heeft aan een aparte staffel voor de incassokostenvoor vorderingen van bedrijven op bedrijven. Er is daarom voor gekozen in dit besluit niet een dergelijke staffel op te nemen.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
Alleen als bedrijven heel onredelijk hoge incassokosten overeenkomen, is het denkbaar dat de rechter deze in uitzonderingsgevallen kan matigen.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
Mochten bedrijven onderling afspraken hebben gemaakt over incassokosten, waardoor deze op een onredelijk bedrag uitkomen, dan kan de rechter deze incassokosten matigen.Ook de regel over het van kleur verschieten blijft hier van toepassing voor zover de overeengekomen incassokosten betrekking hebben op handelingen waarvoor de regeling inzake proceskosten een vergoeding pleegt in te sluiten.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
Overigens kan een rechter bedongen incassokosten op grond van artikel 242 Rv Pro nu slechts matigen tot redelijke kosten, waarbij wordt gekeken naar gebruikelijke tarieven. Door het vastleggen van de incassokosten wordt de onduidelijkheid over wat als redelijke kosten heeft te gelden, weggenomen.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
Deze aanvullende kosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover deze kosten redelijk zijn. In de praktijk komt het erop neer dat
als partijen geen onderlinge afspraken hebben gemaakt over de vergoeding van de invorderingskosten, het Besluitvergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten inzichtelijk maakt op welk aanvullend bedrag de schuldeiser aanspraak kan maken ter vergoeding van zijn invorderingskosten. (…)
Als partijen daarentegen afspraken hebben gemaakt over de hoogte van de invorderingskosten waarop de schuldeiser aanspraak kan maken in geval van te late betaling van één of meerdere facturen, zullen de afgesproken vergoedingen gelden.
.
Partijen behouden hun contractsvrijheid ten aanzien van de vergoeding van kosten voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, voor zover deze niet door het bedrag van 40 euro worden gedekt.Er kan sprake zijn van aanvullende invorderingskosten als de schuldeiser bijvoorbeeld voor de invordering van zijn openstaande factuur veel inspanningen heeft moeten verrichten om de vordering buitengerechtelijk te innen. Afhankelijk van hetgeen partijen over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten in hun overeenkomst hebben opgenomen, maakt de schuldeiser naast aanspraak op de wettelijke minimumvergoeding van 40 euro ook aanspraak op de overeengekomen vergoeding van zijn overige invorderingskosten. Als partijen niets ter zake de vergoeding van invorderingskosten zijn overeengekomen, geldt dat de vordering wordt berekend conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten waarbij de schuldeiser in ieder geval aanspraak maakt op de minimumvergoeding van 40 euro.
De rechter heeft bovendien de mogelijkheid om ambtshalve de buitengerechtelijke incassokosten te matigen (artikel 242 lid 1 Rv Pro).” [onderstreping toegevoegd; A-G]
in beginsel mogenworden gematigd tot het niveau van de kosten conform
de BIK-staffel.
dienen teworden gematigd tot
het in de branche gebruikelijke incassopercentage.
terughoudendmoet worden toegepast (SO nrs. 18-19 en 69). [131] Naar mijn mening volgt uit het bij 4.7 genoemde arrest van 24 september 2004 ([A]/Staat), dat het standpunt art. 242 Rv Pro terughoudend moet worden toegepast als zodanig onjuist is bevonden. Anders dan [appellante] aanvoert, meen ik ook niet dat uit de omzetting van Richtlijn 2011/7/EU en de invoering van de WIK een ander uitgangspunt volgt. Ik licht dat nader toe.
nietafgewogen tegen de matigingsbevoegdheid van de rechter op de voet van art. 242 Rv Pro. Dit bleek al uit de Nota van wijzigingen. Ook de bij 4.32 genoemde passages uit de MvA I en Nadere MvA I bevestigen dit. In de Nota n.a.v. het Verslag voor de Tweede Kamer in verband met de omzetting van de richtlijn werd ook gewezen op de mogelijkheid van de rechter om ambtshalve de buitengerechtelijke incassokosten te matigen (4.33). In dit opzicht heeft het bij 4.27 bedoelde Incassoadvies (dan ook) geen kenbare sporen in de wetgeving achtergelaten.
contractsvrijheid van professionele partijen, die hen juist is gegeven om van die staffel te kunnen afwijken. [132]
BIK-staffelom te bepalen wat
redelijke kostenals bedoeld in art. 242 Rv Pro zijn, in strijd zou zijn met de
bedoeling van de WIK-wetgever, die immers zelf meent dat die staffel in beginsel een redelijk kostenniveau weerspiegelt.
redelijkeschadeloosstelling door de schuldenaar voor alle door diens betalingsachterstand ontstane invorderingskosten. Indien de redelijke kosten van de schuldeiser worden vergoed (met een minimum van € 40,-), ontvangt hij dus volledige vergoeding van datgene waarop hij jegens de schuldenaar aanspraak kan maken. [135] Daaraan doet niet af dat dit voor de schuldenaar kan overkomen als een ‘tegemoetkoming’ in zijn kosten indien deze hoger zijn geweest dan het bedrag waarop hij jegens de schuldenaar aanspraak kan maken. Dit volgt ook reeds uit het arrest van 27 april 2012 ([B]/[C]) ten aanzien van de kostenbepaling van Richtlijn 2000/35/EG (zie bij 4.19).
dientart. 242 Rv Pro, mede gezien de doelstelling van Richtlijn 2011/7/EU, aldus te worden uitgelegd dat bij de bepaling of jegens de schuldenaar redelijk is het bedrag van de buitengerechtelijke kosten dat, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht,
in beginselals uitgangspunt dient te gelden het in de branche
gebruikelijke incasso percentage?
de branche waarin beide partijenopereren, maar de vraag biedt ook ruimte voor de mogelijkheid dat het gaat om het in
de incassobranchegebruikelijke percentage (rov. 10.7).
omdatdat tarief gewoonlijk in rekening wordt gebracht.
daadwerkelijk gemaakte uren maal een redelijk uurtarief(vraag 2, vervolg);
incassoafspraakheeft gemaakt, die inhoudt dat de schuldeiser aan de incasseerder verschuldigd is het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen (vaste of degressieve) incasso-percentage van de hoofdsom (vraag 2 in verbinding met vraag 4)?
schuldenaar zelf ook dat percentage─ dan wel
een vergelijkbaar percentage(rov. 10.7) ─ hanteert in de verhouding tot zijn schuldenaren;
in de incassobranche gebruikelijke percentage(rov. 10.7); en
incassoafspraaktussen de schuldeiser en de incasseerder hoofdsom (vraag 3 in verbinding met vraag 4)?
het vervolg van vraag 2 alsmede vraag 4. Wat te doen indien de schuldenaar vergoeding van méér kosten vordert dan op basis van de BIK-staffel worden vergoed? Gezien de maatstaf van art. 242 Rv Pro zal het ook dan nog moeten gaan om kosten die jegens de schuldenaar redelijk zijn.
no cure no payen niet op basis van uur maal tarief.
no cure no pay-tarief werkt in zijn relatie tot de schuldeiser in beginsel geen prikkel heeft om bij te houden hoeveel tijd aan de verschillende werkzaamheden is besteed. Advocaten die dergelijke werkzaamheden verrichten zullen het tijdsbeslag mogelijk wel registreren.
no cure no pay- of
no win no fee- basis aansluiten bij de afspraken tussen schuldeiser en schuldenaar.
no cure no pay-afspraak in HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797 (Scheper Ziekenhuis). Hierin beoordeelde de Hoge Raad de redelijkheid van de gevorderde invorderingskosten in de context van aansprakelijkheid. De Hoge Raad overwoog:
no cure no paye.d. niet op voorhand geheel of gedeeltelijk uitgesloten zijn van vergoeding; bezien moet worden of in het concrete geval voor een zodanige kostenberekening voldoende grond bestond. In zijn conclusie voor het arrest is A-G Timmerman ingegaan op de mogelijke gevolgen van het toelaten van een vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Ook Hebly wijst daarop in zijn annotatie in JA. Engberts en Lindenbergh wijzen in hun annotaties op de specifieke omstandigheden van het geval.
no cure no payberekende invorderingskosten niet perse af op de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 BW Pro. Bij bedongen incassokosten gaat het om de toepassing van art. 242 Rv Pro.
hogerzijn dan de BIK-kosten en (b) is dan ook sprake van
redelijkekosten?
no cure no payetc.). Immers als wordt geïncasseerd, dan is ook volgens een dergelijke afspraak de schuldeiser jegens de incasseerder kosten verschuldigd. En zonder het vooruitzicht op deze beloning bij een succesvolle incasso, zal de incasseerder die een dergelijke incassoafspraak met zijn opdrachtgever heeft gemaakt, geen werkzaamheden verrichten.
no cure no pay-afspraak niet alleen in de incassobranche gebruikelijk is en door de markt wordt bepaald, maar ook dat deze redelijk is. Niet alleen is het gebruikelijke tarief van 15% bij succes kostendekkend, het maakt ook door kruissubsidiëring de incasso van kleine vorderingen mogelijk die anders niet geïnd zouden worden en het biedt een prikkel tot betaling (SO 53 e.v., 64). Voorts wordt aangevoerd, dat het tarief van 15% niet te hoog is. Door de economische crisis wordt minder op krediet geleverd, zodat er minder incassozaken zijn. Bedrijven regelen relatief eenvoudige incassozaken vaker zelf, dus de meer bewerkelijke blijven over voor de incasseerder. Die zaken zijn ook vaak (40%) internationaal (SO nr. 61 e.v.).
van vragen 3 en 4. Daarover kan ik kort zijn. Bij de bepaling van hetgeen jegens de schuldenaar redelijk is, dient de rechter alle omstandigheden van het geval in zijn beoordeling te betrekken.