Uitspraak
[woonplaats].
29 april 1997.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvrage tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waarbij de aanvrager was veroordeeld voor medeplegen van dealen in harddrugs. De aanvrager stelde dat nieuwe verklaringen van getuigen aantonen dat eerdere belastende verklaringen onjuist waren, wat tot vrijspraak zou hebben geleid indien het hof hiermee bekend was geweest.
De nieuwe verklaringen van meerdere getuigen bevatten ontkennende en teruggenomen verklaringen, waarin zij stellen dat de aanvrager niet betrokken was bij drugshandel en dat eerdere verklaringen onjuist of onder druk zijn afgelegd. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de aanvrage niet-ontvankelijk is.
De Hoge Raad overwoog dat de aanvrager aannemelijk moet maken waarom getuigen op belastende verklaringen terugkomen. De opgegeven redenen waren onvoldoende onderbouwd en onaannemelijk. Bovendien was het hof reeds bekend met sommige verklaringen en argumenten over mogelijke verwarring omtrent personen. Daarom kon geen ernstig vermoeden worden ontleend aan de nieuwe verklaringen.
De Hoge Raad verklaarde de aanvrage niet-ontvankelijk en wees het verzoek tot herziening af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een ernstig vermoeden dat de eerdere veroordeling onjuist was.