Uitspraak
24 november 1998.
Hoge Raad
De zaak betreft de aanwezigheid van 12 kilo cocaïne in een sporttas die verdachte op verzoek van zijn buurman vanuit Suriname naar Nederland heeft meegenomen. Het hof sprak verdachte vrij van het misdrijf wegens het ontbreken van opzet, maar veroordeelde hem voor de overtreding van het verbod op het handelen in strijd met de Opiumwet.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof in zijn nadere bewijsoverweging onbegrijpelijk tegenstrijdig heeft geoordeeld. Enerzijds stelde het hof dat verdachte geen schuld treft omdat hij redelijkerwijs niet kon weten wat de tas bevatte, anderzijds stelde het hof dat niet gezegd kan worden dat verdachte geen enkel verwijt treft. Dit is niet verenigbaar en leidt tot een onvoldoende gemotiveerde uitspraak.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling. Het arrest bevat tevens een belangrijke uitleg over het ontbreken van het bestanddeel schuld in de delictsomschrijving en de consequenties daarvan voor de bewijsvoering en strafbaarheid.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onbegrijpelijke bewijswaardering en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling.