Conclusie
handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.
primair
hij op 2 november 2018 te Amsterdam aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1/2] ) een grote hoeveelheid hennepplanten.”
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2021.
“Bewijsoverwegingen
feitelijkemacht kan uitoefenen in de zin dat hij daarover
de factokan beschikken. Voor het bewijs hoeft daarentegen niet te kunnen worden vastgesteld dat de middelen (in eigendom) toebehoren aan de verdachte of dat hij
bevoegdis over deze middelen beschikkingsmacht of beheer uit te oefenen. [4] Het gaat er dus niet om dat de middelen zich bevinden in de
juridische, maar in de
feitelijke‘machtssfeer’ van de verdachte.
Als de verdachte ook toegang heeft tot het pand, zal het oordeel dat die planten zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden snel voor de hand liggen.”
kunnenafleiden dat de verdachte feitelijk toegang had tot het door hem gehuurde pand en
kunnenoordelen dat de hennep zich binnen de machtssfeer van de verdachte bevond. Het oordeel dat de verdachte deze hennep aanwezig heeft gehad, is aldus bezien niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Verder reikt de toets in cassatie niet.
opzettelijkheeft gehandeld in strijd met artikel 3 Opiumwet Pro, en (2) indien dit strafbare feit betrekking heeft op ten minste tweehonderd hennepplanten. Ik meen echter dat het hof geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 11 lid 5 Opiumwet Pro, nu uit de bewezenverklaring blijkt dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat luidt: als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet. Ook voor het overige biedt het arrest geen aanknopingspunten voor de lezing van de bewezenverklaring die de stellers van het middel voorstaan.
“Oplegging van straf
in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht”. De Hoge Raad stelt zich terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing met betrekking tot de straftoemeting toereikend is. [6]
onzorgvuldig heeft gehandeld, als gevolg waarvan hij bijgedragen heeft aan de teelt van hennep”. Dat ten laste van de verdachte enkel bewezen is verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van hennep, en niet aan het telen van hennep, doet niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof.
dat het hof kennelijk van mening is dat er sprake is van eerdere oogsten waaraan de verdachte heeft bijgedragen” (aldus de stellers van het middel). Ook voor het overige biedt het arrest geen aanknopingspunten voor deze lezing. Het voorgaande brengt mee dat de strafoplegging toereikend is gemotiveerd.