ECLI:NL:HR:1999:AA2691

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33023
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Beukenhorst
  • raadsheer Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie tegen belastingaanslag 1992

De Staatssecretaris van Financiën had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 opgelegd aan belanghebbende X te Z.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. Uit de processtukken bleek dat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na verzending van de hofuitspraak was ingediend. De Staatssecretaris had in een brief aan het hof weliswaar melding gemaakt van de indiening, maar dit bood onvoldoende grond om het verzuim te rechtvaardigen.

Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.130,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het arrest werd op 3 maart 1999 door de Hoge Raad vastgesteld en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 juni 1996 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Blijkens een door de Griffier van het Hof op de uitspraak van het Hof gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen verzonden op 3 juli 1996. Uit een door voornoemde Griffier op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 31 januari 1997 ter griffie van het Hof is ontvangen. Het beroepschrift in cassatie is derhalve niet ingediend binnen de in artikel 6:24 in Pro verbinding met artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn van zes weken. Hetgeen de Staatssecretaris in zijn brief van 31 januari 1997 aan het Hof heeft bericht omtrent de indiening van het beroepschrift in cassatie biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat hij ten aanzien van die indiening niet in verzuim is geweest. De Staatssecretaris dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.
2. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
3. Beslissing De Hoge Raad verklaart de Staatssecretaris van Financiën niet-ontvankelijk in zijn beroep in cassatie en veroordeelt hem in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.130,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 3 maart 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Fleers, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.