ECLI:NL:HR:1999:AA2906
Hoge Raad
- Cassatie
- De Moor
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 31 Wet OB bij overdracht vruchtgebruik woningen
Belanghebbende, een woningcorporatie, verzocht teruggaaf van omzetbelasting over het eerste kwartaal van 1995 na vestiging van een recht van vruchtgebruik op 102 woningen ten behoeve van Stichting B. De Inspecteur wees dit verzoek af, wat door belanghebbende werd aangevochten bij het Gerechtshof Amsterdam. Het Hof oordeelde dat sprake was van overdracht van een onderneming als bedoeld in artikel 31 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968, waardoor geen omzetbelasting verschuldigd was.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en wijst het cassatieberoep van belanghebbende af. De Hoge Raad overweegt dat de overdracht van het recht van vruchtgebruik op de woningen een overgang van een algemeenheid van goederen en diensten inhoudt, passend binnen de Europese Zesde richtlijn. Ook al exploiteert Stichting B de woningen niet zelf, maar besteedt zij werkzaamheden uit, is sprake van voortzetting van de onderneming.
Verder verwierp de Hoge Raad het beroep op het gelijkheidsbeginsel en oordeelde dat het beleid van de Inspecteur sinds december 1994 is gewijzigd en duidelijk is gecommuniceerd. De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt het arrest van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vestiging van het recht van vruchtgebruik onderdeel is van de overdracht van een onderneming, waardoor geen omzetbelasting verschuldigd is.