ECLI:NL:HR:1999:ZC2947
Hoge Raad
- Cassatie
- Korthals Altes
- Van der Putt-Lauwers
- Fleers
- Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van verzoekster wegens ontbreken advocaatsteken bij cassatieverzoek inzake inzage persoonsgegevens
Verzoekster heeft bij de Rechtbank Alkmaar een verzoek ingediend op grond van artikel 34 van Pro de Wet persoonsregistraties (WPR) om inzage te verkrijgen in haar persoonsgegevens die werden beheerd door de Informatiseringsbank, later rechtsopvolger IBG. Zij verzocht later ook om verbetering en aanvulling van deze gegevens en om schadevergoeding en dwangsom. De rechtbank wees het verzoek af en het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigde deze afwijzing.
Vervolgens stelde verzoekster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster, omdat het cassatieverzoek niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist is volgens artikel 426a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Hoge Raad overwoog dat de uitzondering in artikel 34 lid 6 WPR Pro, die toestaat dat in verzoekschriftprocedures voor de lagere instanties geen advocaat nodig is, niet geldt voor cassatieprocedures. Daarom verklaarde de Hoge Raad verzoekster niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep.
Uitkomst: Verzoekster werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van advocaatsteken op het cassatieverzoek.