ECLI:NL:HR:1999:ZC2947

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 1999
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
R99/054
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Korthals Altes
  • Van der Putt-Lauwers
  • Fleers
  • Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 WPRArt. 426a lid 1 RvArt. 34 lid 6 WPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verzoekster wegens ontbreken advocaatsteken bij cassatieverzoek inzake inzage persoonsgegevens

Verzoekster heeft bij de Rechtbank Alkmaar een verzoek ingediend op grond van artikel 34 van Pro de Wet persoonsregistraties (WPR) om inzage te verkrijgen in haar persoonsgegevens die werden beheerd door de Informatiseringsbank, later rechtsopvolger IBG. Zij verzocht later ook om verbetering en aanvulling van deze gegevens en om schadevergoeding en dwangsom. De rechtbank wees het verzoek af en het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigde deze afwijzing.

Vervolgens stelde verzoekster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster, omdat het cassatieverzoek niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist is volgens artikel 426a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De Hoge Raad overwoog dat de uitzondering in artikel 34 lid 6 WPR Pro, die toestaat dat in verzoekschriftprocedures voor de lagere instanties geen advocaat nodig is, niet geldt voor cassatieprocedures. Daarom verklaarde de Hoge Raad verzoekster niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep.

Uitkomst: Verzoekster werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van advocaatsteken op het cassatieverzoek.

Uitspraak

18 juni 1999
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/054HR
CS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking in de zaak van:
[verzoekster] , wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie, t e g e n
De rechtspersoonlijkheid bezittende
INFORMATIE BEHEER GROEP, rechtsopvolgster van de Informatiseringsbank, gevestigd te Groningen,
VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 1 september 1993 ter griffie van de
Rechtbank te Alkmaar ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht op grond van art. 34 Wet Pro persoonsregistraties (WPR) verweerster in cassatie - verder te noemen: IBG - te bevelen [verzoekster] inzage te geven van de haar betreffende persoonsgegevens.
Bij aanvullend verzoekschrift van 13 oktober 1993 heeft
[verzoekster] de veroordeling van IBG tot betaling van schadevergoeding en dwangsom verzocht. Ter terechtzitting van 3 februari 1994 heeft [verzoekster] haar oorspronkelijk verzoek gewijzigd en een verzoek gedaan tot verbetering en aanvulling van de haar betreffende gegevens, opgenomen in de door de IBG gehouden persoonsregistratie.IBG heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 1994 het ter vermelde zitting gewijzigde verzoek van [verzoekster] afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 8 september 1994 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoekster] bij verzoekschrift van 12 november 1998 beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-
Generaal Mok strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar verzoek.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het verzoekschrift tot cassatie is ingediend door [verzoekster]
zelf en is niet, zoals vereist door art. 426a lid 1
Rv., getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk. Hieraan doet niet af dat ingevolge art. 34 lid 6 van Pro de Wet persoonsregistratie in verzoekschriftprocedures als bedoeld in dat wetsartikel het verzoekschrift niet door een procureur behoeft te worden ingediend en getekend, nu deze bepaling slechts betrekking heeft op de procesvertegenwoordiging in de procedure voor de feitelijk instanties.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door raadsheren
Korthals Altes, als voorzitter, Van der Putt-Lauwers en
Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 18 juni 1999.