ECLI:NL:HR:2000:AA7201
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- P. Neleman
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- A. Hammerstein
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijslast bij cascoschadeverzekering en bestuurdersaansprakelijkheid
In deze zaak vorderde eiser vergoeding van schade aan zijn auto, verzekerd tegen cascoschade bij ZLM, na een botsing met een lantaarnpaal. De verzekeraar weigerde uitkering omdat de bestuurder onder invloed van alcohol was, wat volgens de polis uitsluiting van dekking betekent. Eiser stelde dat niet hij, maar een ander, betrokkene, de auto bestuurde.
De rechtbank stond eiser toe bewijs te leveren dat betrokkene bestuurder was. Het hof bevestigde dat eiser de bewijslast draagt voor deze stelling en oordeelde dat het aannemelijk was dat eiser zelf de bestuurder was, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen. De Hoge Raad stelde vast dat het hof onjuist had toegepast dat op eiser de bewijslast rustte dat betrokkene bestuurder was, terwijl volgens art. 177 Rv Pro de verzekeraar de feiten moet bewijzen die hem van vergoeding vrijstellen.
De Hoge Raad verwierp het beroep van eiser wegens gebrek aan belang bij cassatie van bepaalde onderdelen, maar vernietigde het arrest van het hof vanwege de onjuiste rechtsopvatting over de bewijslastverdeling. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Heemskerk.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof vernietigd wegens onjuiste toepassing van art. 177 Rv.