ECLI:NL:HR:2000:AA8825
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid strafbaarstelling schennis van de eerbaarheid volgens art. 239 Sr
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, conform art. 239 Sr Pro. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar, na vernietiging van een vonnis van de politierechter.
Het centrale verweer in cassatie betrof de stelling dat de strafbaarstelling van art. 239 Sr Pro in strijd zou zijn met art. 7 EVRM Pro, dat het legaliteitsbeginsel waarborgt. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verweer terecht en op goede gronden had verworpen, mede gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake vergelijkbare zaken.
De Hoge Raad benadrukte dat schennis van de eerbaarheid zich voordoet wanneer iemand op een openbare plaats willens en wetens handelingen verricht die het normaal ontwikkeld schaamtegevoel onder de gegeven omstandigheden kwetsen. Er is geen sprake van een vage norm en dus geen strijd met het legaliteitsbeginsel. Geen van de overige middelen kon tot cassatie leiden, zodat het beroep werd verworpen.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 5 december 2000.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor schennis van de eerbaarheid blijft in stand.