ECLI:NL:HR:2001:AB0156
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verrekening dividendbelasting bij vennootschapsbelasting 1993
Belanghebbende, een marketmaker op de Amsterdamse Optiebeurs, kocht in mei 1993 putopties en aandelen, waarbij dividend werd vastgesteld en genoten. Bij de aangifte vennootschapsbelasting 1993 gaf belanghebbende de ingehouden dividendbelasting aan als verrekenbare voorheffing volgens artikel 25 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Inspecteur weigerde deze verrekening, waarna belanghebbende bezwaar maakte en in beroep ging bij het Hof.
Het Hof oordeelde dat het bruto dividend onderdeel is van de winst en dat de verrekening van de ingehouden dividendbelasting rechtstreeks voortvloeit uit artikel 25 van Pro de Wet. Ondanks dat de wederpartijen mogelijk dividendbelasting ontweken, achtte het Hof de verrekening door belanghebbende niet strijdig met doel en strekking van de wet.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in met het argument dat belanghebbende mede het motief had om dividendbelasting te ontlopen. De Hoge Raad verwierp dit betoog en bevestigde dat de bereidheid van belanghebbende mee te werken aan de constructie geen bewijs is dat het ontlopen van dividendbelasting de doorslaggevende beweegreden was.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van de Staatssecretaris, bevestigt het oordeel van het Hof en veroordeelt de Staatssecretaris in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de verrekening van dividendbelasting met vennootschapsbelasting rechtmatig is.