Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
cash & carrydividendarbitrage. Dat houdt in dat zij tegelijk een
longpositie inneemt in effecten
cumdividend en een
shortpositie in derivaten van dezelfde effecten
exdividend. Daardoor ontstaat een volledig gedekte positie (r.o. 2.31 Rechtbank). Omdat de derivaten een uitoefenprijs ad € 0,01 hebben, is wederverkoop van de gekochte effecten gegarandeerd.
junctoart. 3 Uitvoeringsbesluit Pro Vpb 1971 als pensioenfonds is vrijgesteld van vennootschapsbelastingplicht. Subsidiair stelde de belanghebbende dat als zij niet voldoet aan de werkzaamhedentoets ex art. 5(1)(b) Wet Vpb, zij desondanks is vrijgesteld omdat zij dan evenmin valt onder de wetsfictie van art. 4(b) Wet Vpb 1969 (pensioenverzekering is ondernemingsactiviteit) en zij overigens geen onderneming drijft. Ook maakte zij aanspraak op integrale proceskostenvergoeding.
fee) in een samenwerkingsovereenkomst (
profit share) ook voor de belanghebbende zakelijk was, nu de Inspecteur noch belanghebbendes winstbestemming, noch de zakelijkheid van (de omvang van) haar financiële vergelding van de diensten van de BV heeft betwist. Het Hof achtte niet aannemelijk dat de belanghebbende de cash & carry transacties niet voor eigen rekening en risico maar voor anderen uitvoerde. Wel oordeelde hij dat de cash & carry activiteiten meer of iets anders zijn dan eenvoudig vermogensbeheer, en dat de belanghebbende een meer dan bijkomstig ander oogmerk dan pensioenverzorging had, nl. het drijven van een commerciële onderneming, samen met [A] , in effecten en arbitrage. Dat niet-bijkomstige oogmerk staat in de weg aan toepassing van de vrijstelling ex art. 5(b) Wet Vpb 1969 omdat de belanghebbende zich niet nagenoeg geheel ten doel stelt pensioen te verzorgen. Voor zoveel na dat oordeel nog nodig, oordeelde het Hof vervolgens dat de belanghebbende evenmin voldoet aan het werkzaamheidscriterium ex art. 3 UB Pro Vpb 1971 (werkzaamheid moet overeenstemmen met het doel van pensioenverzorging), met name doordat zij zich tot aanzienlijke bedragen met andere middelen dan premie-inleg en normale beleggingsopbrengst op de markt begeeft en doordat die inleg en depositorente noch gebruikt worden, nog nodig zijn voor belanghebbendes arbitrage-activiteiten.
doelstellingstoets(oogmerktoets) van art. 5(1)(b) Wet Vpb voldoet omdat zij zich niet "uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel (…) (stelt) de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit (etc.)” (r.o. 4.8.4 Hof). Hij baseert dat op een catalogus van feiten. De belanghebbende bestrijdt die één voor één, maar mijns inziens (i) verraadt ‘s Hofs redengeving geen onjuiste rechtsopvatting, met name niet in het licht van (het regeringsstandpunt ter zake van) de criteria in het rapport van de Commissie Staatsen en met name geen verkeerde invulling van de term ‘simpel’ of ‘normaal vermogensbeheer’, (ii) gaat de belanghebbende er ten onrechte aan voorbij dat ‘s Hof gronden in hun onderlinge verband bezien en als geheel beoordeeld moeten worden, en (iii) bestrijdt de belanghebbende een vooral feitelijk oordeel dat geenszins onbegrijpelijk is en evenmin onvoldoende is gemotiveerd.
werkzaamhedentoetsex art. 3 UB Pro Vpb betreft, meen ik dat die toets niet ter zake doet als het pensioenfonds al niet voldoet aan de doelstellingseis die de wet stelt. Voor het geval u de werkzaamhedentoets wel nog relevant acht, meen ik dat middel II vooral feitelijke oordelen bestrijdt die niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn en die in cassatie niet met vrucht bestreden kunnen worden. Het bestrijdt voorts rechtskundig de relevantie en ’s Hofs interpretatie van HR
BNB1993/89, maar dat arrest is mijns inziens (nog steeds) relevant voor de werkzaamhedentoets ex art. 3 UB Pro Vpb en ’s Hofs toepassing ervan komt mij rechtskundig correct voor; ook de invulling van de term ‘andere middelen’ (dan premiegelden en daarop verschenen depositorente). Op basis van de vastgestelde feiten is duidelijk dat de belanghebbende in significante mate andere middelen dan premie en daarop verschenen depositorente inzet. Uit HR
BNB1993/89 blijkt dat niet ter zake doet hoe die andere middelen gefinancierd zijn. Evenmin doet ter zake of sprake was van echte of synthetische leningen dan wel van
securities lendingof van
multiplying, zodat het Hof kon voorbijgaan aan een bewijsaanbod ter zake van
securities lending. ‘s Hofs feitenvaststelling is niet verrassend en zijn oordeel over de werkzaamhedentoets strookt met HR
BNB1993/89, zodat belanghebbendes klacht dat zij overvallen is met “een andere en nieuwe invulling” van het werkzaamhedencriterium die niet strookt met de feiten mijns inziens ongegrond is.
BNB2008/161 en HR
BNB2012/251 op dat de feitenrechter bij constatering dat de Inspecteur niet voldaan heeft aan zijn verplichting ex art. 8:42 Awb Pro om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, slechts verplicht is om overlegging van ontbrekende stukken te vragen of te onderzoeken of de niet-overlegging een beroep op art. 8:29 Awb Pro inhoudt en of dat dan gerechtvaardigd is, als de belanghebbende klaagt over schending van art. 8:42 Awb Pro of de rechter anderszins reden heeft stukken op te vragen. Kennelijk meende het Hof niet dat de desbetreffende stukken (rechtelijke uitspraken in procedures die de belanghebbende zelf voerde resp. stukken over gegevensuitwisseling met België) op de zaak betrekking hadden; in elk geval heeft de belanghebbende niet gesteld dat er enige aanslag (mede) op gebaseerd is, noch overigens gesteld dat het om op de zaak betrekking hebbende stukken zou gaan. Aangenomen kan worden dat haar de uitspraken in haar eigen procedures bekend waren; zij waren bovendien gepubliceerd.
Ferrazzinien HR
BNB2010/57).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.1 This cooperation between the Parties is to be referred to as the "Joint Account".
4.6 It is intended and agreed that this Agreement constitutes a real and true profits share agreement regarding the Approved Activities and that, except as otherwise provided herein. [A] shall not have authority to act for. represent or bind in any way the Pension Fund"
7.2 To the extent the Profit and Loss Calculation at the end of each quarter results in net cash profits ("Net Profits"), such Net Profits shall on a quarterly basis be subject to the following:
De hogere AJV1 vergoeding regelen we via een aanpassing van het AM-contract. Dit zou geen probleem moeten zijn."
€175.687. Over de jaren 2011 en 2012 ontvangt [A] gelet op de overgelegde facturen als ‘Profit Share’ een bedrag van onderscheidenlijk € 1.124.978 en € 1.951.561 De daadwerkelijk gefactureerde vermogensbeheervergoeding over het jaar 2010 en de ‘Profit Shares’ over de jaren 2011 en 2012 wijken af van de bedragen genoemd in een door eiseres aan verweerder verstrekt overzicht betreffende de beleggingsactiviteiten:
€0,01. Ook koopt eiseres aandelen en sluit zij een zogenoemde 'Price Return Swap' af ter afdekking van het marktrisico. De tegenpartij bij de beleggingsactiviteiten is in het overgrote deel van de gevallen Investec.
€ 528.497.
Korte toelichting op vastgestelde overtredingen
For the years 2010, 2011 and 2012; [belanghebbende] & [ [A] ] has executed against [ [I] ] 40 trades in which [belanghebbende] & [ [A] ] bought Belgian shares (across 15 names) and Austrian shares (across 7 names) from [I] with a total notional value equal to] approximately €3 billion. In each of these transactions [I] was the counterparty to [ [belanghebbende] & [ [A] ]. (…) As broker, [I] only enters into transactions as a result of a client order. To facilitate the sale of the stock to [belanghebbende] & [ [A] ], [I] covered these positions by buyng the necessary stock in the open market. For 37 of these trades we can confirm that Investec Bank PLC was not the counterpart of [I] , with whom it executed the purchase of these equities to cover the sale to [belanghebbende] & [ [A] ]; (…) The remaining 3 trades were equal to a notional amount of approximately € 200 million.” (…).
BNB1993/89 [3] van belang is, welk arrest volgens het Hof zijn gelding heeft behouden
nietde verkoper van de aandelen was, en dat in 3 gevallen onduidelijk is wie de verkoper was. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [I] / [I] te twijfelen. De inspecteur heeft die verklaring ook niet (voldoende concreet) gemotiveerd betwist. Diens stelling, dat er in de gegeven omstandigheden maar één verklaring kan zijn voor het feit dat Investec bereid is belanghebbende telkens “een opslag van 4% op de theoretische prijs van de opties” te betalen - te weten, dat de 4% marge geen handelsmarge is maar een dienstverleningsvergoeding - acht het Hof in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen en tegenover de gemotiveerde betwisting van belanghebbende niet voldoende om aannemelijk te achten dat Investec - ook - de wederpartij van belanghebbende was bij de aandelentransacties. Bovendien moet in dit verband bedacht worden dat feitelijk ook geen sprake is van een ‘vaste’ fee van 4% (zie 2.2.2); de marge van belanghebbende varieert per transactie en kan ook negatief zijn (zoals in 2012 daadwerkelijk is voorgekomen). (…)
Wiedaarbij feitelijk de verkoopbereide tegenpartij is, kan belanghebbende onverschillig laten.
€2,1 miljoen) dan de ingelegde premiegelden (zie 2.2.3, cumulatief: ultimo 2010 circa
€0,5 miljoen en ultimo 2011 circa € 0,7 miljoen).
3.Het geding in cassatie
Principaal beroep (belanghebbende)
inleidingde context van de cassatiemiddelen en de feiten en omstandigheden waaruit zij opmaakt dat men ’s Hofs uitspraak tussen de regels moet lezen en dat ’s Hofs argumenten om het beroep af te wijzen gezocht zijn, naar de belanghebbende vermoedt om een in ‘s Hofs ogen maatschappelijk onwenselijke bezigheid van de belanghebbende te bestrijden. De belanghebbende acht het duidelijk dat zij “een van de norm afwijkend fonds is, dat zich toelegt op het bijzonder profijtelijke ‘kunstje’ van dividendarbitrage”, maar dat dit geen invloed mag hebben op de toepassing van de vrijstelling ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969. Uit HR
BNB1993/88 [6] blijkt dat maatschappelijke onwenselijkheid niet relevant is voor de vrijstelling. De dividendarbitrage die zij beoefent, wordt volgens haar ook door andere pensioenfondsen beoefend en past daarmee haars inziens binnen de normale activiteiten van een pensioenfonds.
prudent personcriterium uit de Pensioenwet en is daarmee strenger dan de relevante fiscaalrechtelijke maatstaf, waarvoor de belanghebbende verwijst voor het genoemde arrest HR
BNB1993/88: maatschappelijke (on)wenselijkheid doet niet ter zake.
BNB1993/88 ten onrechte relevant geacht omdat die zaak de fiscale status van een directiepensioen-BV betrof. Het Hof heeft dat arrest te breed uitgelegd. Voor zover het thans nog relevant is, houdt het slechts in dat alleen ‘actieve groepsfinanciering’ in de weg staat aan de vrijstelling. Daarvan is in belanghebbendes geval geen sprake. Het Hof heeft de term ‘eenvoudig vermogensbeheer’ dan ook onjuist opgevat. Het Hof acht daarmee kennelijk onverenigbaar (r.o. 4.8.4): (i) actief deelnemen aan het economische (beurs)verkeer; (ii) meer dan ‘autonoom’ rendement creëren; (iii) relatief (zeer) hoge kosten maken; (iv) risico’s aangaan en revenuen genereren die afwijken van de min of meer ‘passieve’ belegger; (v) anders beleggen dan andere pensioenfondsen; (vi) met andere pensioenfondsen onvergelijkbare risico’s aanvaarden; (vii) zich verzekeringstechnisch onverantwoord gedragen door onvoldoende risicospreiding en door het verdienmodel te baseren op de niet vanzelfsprekende status van vrijgesteld pensioenlichaam. De belanghebbende bestrijdt elk van deze argumenten separaat.
BNB1993/88 weinig houvast biedt voor invulling van de term ‘eenvoudig vermogensbeheer’, maar zij leidt uit de verwerping van het cassatieberoep van de Staatssecretaris af dat u daarvoor in elk geval niet beslissend of relevant acht ‘verzekeringstechnisch (on)verantwoord handelen’, ‘solide beleggen’, vermijden van ‘speculatieve beleggingen’ en ‘verantwoorde risicospreiding’. Wat ‘actief deelnemen aan het economische (beurs)verkeer’ betreft, is volgens de belanghebbende niet in geschil dat zij passief is gebleven en haar deelname aan het beursverkeer volledig heeft uitbesteed. Overigens kan juist van pensioenfondsen worden verwacht dat zij actief deelnemen aan het economische (beurs)verkeer. Niet bestreden is dat dividendarbitrage gebruikelijk is in de beleggingswereld. Het Hof heeft onvoldoende feiten vastgesteld of is onvoldoende ingegaan op hetgeen de belanghebbende hierover heeft aangevoerd. Wat ‘meer dan ‘autonoom’ rendement creëren’ is, heeft het Hof niet duidelijk gemaakt, noch waar deze maatstaf vandaan komt en waarom hij voor ‘eenvoudig vermogensbeheer’ van belang is. Wat de ‘relatief (zeer) hoge kosten’ betreft, meent de belanghebbende dat die slechts relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de vergoeding aan [A] , de zakelijkheid waarvan het Hof echter al tot uitgangspunt had genomen (r.o. 4.7.4.4), dus niet voor de werkzaamhedentoets of een toets ‘eenvoudig vermogensbeheer’. De belanghebbende wijst op mijn conclusie voor HR
BNB2014/144, [7] over de belastingplicht van een thuiszorginstelling. De belanghebbende acht de beleggingsrisico’s niet relevant bij de werkzaamhedentoets en de toets ‘eenvoudig vermogensbeheer’, die volgens haar op concurrentieverstoring door commerciële dienst-verlening zien. Risico’s aangaan en daarmee corresponderende revenuen genereren is geen toets die vermogensbeheer onderscheidt van commerciële activiteiten. De belanghebbende beroept zich op literatuur [8] en een uitspraak van Hof Den Haag. [9] Dat de belanghebbende ‘niet op vergelijkbare wijze’ belegt als andere pensioenfondsen, is volgens de belanghebbende, gezien HR
BNB1993/88, niet relevant voor de vraag of sprake is van ‘eenvoudig vermogensbeheer’. De belanghebbende trekt overigens in twijfel dat haar wijze van beleggen substantieel afwijkt van die van andere pensioenfondsen. Uit de vastgestelde feiten volgt dat zij volledig gedekte posities inneemt, waardoor zij hoogstens een beperkt risico loopt. De behoefte aan voorfinanciering van die posities is kleiner dan het Hof doet voorkomen en levert klaarblijkelijk geen groot risico op, nu zij haar transacties steeds probleemloos heeft kunnen uitvoeren. Het risico van niet-honorering van haar verzoeken om restitutie van (buitenlandse) dividendbelasting bestaat volgens haar alleen als haar de vrijstelling wordt onthouden, zodat het een cirkel- of drogredenering is om haar de vrijstelling te weigeren wegens het ‘dividendrisico’. Met opnieuw verwijzing naar HR
BNB1993/88 betoogt de belanghebbende dat noch verzekeringstechnisch (on)verantwoord gedrag, noch risicospreiding onderdeel zijn van de door de Hoge Raad aangelegde maatstaf voor ‘belegging’ van pensioenkapitaal.
werkzaamhedenniet in overeenstemming zijn met de in eerstgenoemde bepaling vereiste doelstelling omdat zij over aanzienlijke andere middelen dan premiegelden beschikte die zij voor haar activiteiten inzette. Het Hof is bovendien ten onrechte voorbij gegaan aan een bewijsaanbod. Ook dit middel heeft diverse onderdelen, die ik als volgt samenvat:
BNB1993/89 [10] ten onrechte relevant geacht, om vergelijkbare redenen als HR
BNB1993/88. De belanghebbende bestrijdt ’s Hofs interpretatie van dit arrest; volgens haar is de ratio van HR
BNB1993/89 niet dat commerciële beleggingsactiviteiten niet vrijgesteld behoren te worden.
BNB1993/89 op de balans te hebben staan. Subsidiair betoogt zij dat ’s Hofs invulling strijdt met de doelstelling van de vrijstelling omdat die invulling het onmogelijk maakt om met aanzienlijk meer middelen te beleggen dan noodzakelijk ter dekking van de pensioenverplichting, hoewel HR
BNB1993/89 geen onderscheid maakt tussen aanvullend eigen vermogen en aangetrokken vreemd vermogen.
BNB1993/89 blijkt niet dat niet relevant is of sprake is van een ‘echte’ banklening en het bestaan van een ‘echte’ lening volgt niet uit de feiten. Het Hof had moeten ingaan op belanghebbendes aanbod te bewijzen dat slechts werd gefinancierd door bestaande deposito’s en ‘securities lending’. Het Hof had als tussen partijen vaststaand moeten aannemen dat geen sprake is van ‘echte’ leningen, maar van ‘synthetische’ leningen. Bij ‘synthetische’ leningen resteert slechts de vraag of het met derivaten aanbrengen van een
multiplierkwalificeert als het aantrekken van middelen in de door de Hoge Raad bedoelde zin.
BNB2015/129 [11] en een uitspraak van Hof Amsterdam [12] af dat het Hof de Inspecteur had moeten verzoeken het dossier aan te vullen, hem daartoe de gelegenheid had moeten bieden en bij niet-aanvulling zich had moeten beraden op het gevolg daarvan. De belanghebbende acht voorts (
principaal middel V) art. 8:73 en Pro art. 8:75 Awb Pro geschonden doordat het Hof de Inspecteur niet (volledig) in de schade en de (proces)kosten heeft veroordeeld, nu sprake is van een ‘bijzondere omstandigheid’ doordat de kosten in een wanverhouding staan tot het vennootschapsbelastingbelang van de procedure, althans in wanverhouding staan tot de forfaitaire vergoeding. Het procesrisico is onevenredig bij de belanghebbende gelegd, waardoor toegang tot de (bestuurs)rechter in strijd met art. 6 EVRM Pro wordt belemmerd. Door een forfait dat de werkelijke kosten alleen in simpele en niet-tijdrovende procedures benadert, wordt de toegang tot de rechter in alle overige zaken wezenlijk bemoeilijkt. HR
BNB2005/239 [13] en HR
BNB2005/374 [14] sluiten niet uit dat het forfait onder omstandigheden de toegang tot de rechter ontoelaatbaar belemmert. De belanghebbende wijst op de EHRM-zaak
Airey, [15] het arrest van uw eerste kamer HR
NJ2012/201, [16] mijn conclusie voor HR
BNB2005/239, [17] de
BNB-noot van Feteris daarbij, en de HvJ EU-zaak
D. v Belastingdienst. [18] Art. 2(3) Besluit proceskosten bestuursrecht biedt de mogelijkheid om in bijzondere gevallen af te wijken en daarvan moet volgens de belanghebbende gebruik gemaakt worden bij onevenredige procesrisicoverdeling door een wanverhouding tussen de kosten van procederen en het procesbelang of tussen de (redelijke) daadwerkelijke kosten en het forfait.
inleiding. Ook als de belanghebbende formeel aan alle voorwaarden voor de vrijstelling zou voldoen, zou vrijstelling in casu volgens hem in strijd kunnen komen met doel en strekking van art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 omdat belanghebbendes cash & carry transacties er volgens hem op neer komen dat buitenlandse dividenden alleen maar langs de belanghebbende worden omgeleid om reeds ingehouden buitenlandse dividendbelasting te kunnen terugvragen. Die omleiding heeft geen enkele (andere) economische betekenis. Met een voorbeeld [19] wil de Staatssecretaris laten zien (i) dat uitoefening van de – gelijktijdig met de aankoop van de aandelen – geschreven opties van te voren vaststaat door hun zeer lage uitoefenprijs, zodat (ii) de belanghebbende slechts juridisch eigenaar van de aandelen is en dat (iii) belanghebbendes verdienmodel uitsluitend is gebaseerd op het terugvragen van dividendbelasting:
belastingarbitrage is. Kenmerkend voor dividendarbitrage is dat kleine verschillen in dividendverwachting worden verzilverd; de belanghebbende zet echter haar transacties op als het dividend al vaststaat. De Staatssecretaris wijst op diverse uitlatingen in processtukken van de belanghebbende waarmee zij erkend zou hebben dat het om dividend
belastingarbitrage gaat. Ook ‘s Hofs voorbeeld (r.o. 4.6.2) duidt volgens de Staatssecretaris op dividendbelastingarbitrage, nu zonder dividendbelastingrestitutie onwaarschijnlijk is dat Investec het optierecht wil kopen voor € 95,25 hoewel het een theoretische waarde heeft van slechts € 94,99. De Staatssecretaris deelt niet de opvatting van het Hof (r.o. 4.6.3) dat ook als het dividend al vaststaat partijen daar nog een verschillende inschatting van zouden kunnen maken. Het Hof heeft zelf in r.o. 4.6.3 overwogen dat:
arm’s lengthbeginsel anders zinledig zou worden. De Staatssecretaris wijst er voorts op dat de Inspecteur zijn standpunt over die omzetting (onzakelijk) niet heeft ingetrokken en het Hof slechts veronderstellenderwijs uitgaat van de zakelijkheid ervan.
BNB1993/89 tot verlies van de vrijstelling voor pensioenlichamen. De belanghebbende heeft dit voorschrift overtreden. De Staatssecretaris wijst op Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving kader 610.206 (regelgeving voor pensioenfondsen). Ook de overige onderdelen van het tweede principale cassatiemiddel worden door de Staatssecretaris bestreden.
BNB1996/373, [20] het Hof niet gehouden was zijn beslissing over de proceskosten uitgebreider te motiveren.
over the counterzijn geschreven. Bij de Oostenrijkse transacties gaat het om beurshandel. Met betrekking tot het beroep van de Staatssecretaris dat ’s Hofs oordeel het
arm’s lengthbeginsel zinloos maakt, merkt de belanghebbende op dat zulks alleen zo zou zijn als met afhankelijkheid zou zijn bedoeld gelieerdheid, maar van gelieerdheid is in haar geval geen sprake. Ter zake van het beroep van de Staatssecretaris op
fraus legisstelt de belanghebbende dat uit HR
BNB2001/196 [21] volgt dat dividendarbitrage niet impliceert dat de belanghebbende de transacties niet voor het voor haarzelf te behalen transactieresultaat heeft verricht maar voor de verijdeling van dividendbelasting. Aan het motiefvereiste noch aan het normvereiste wordt voldaan, aldus de belanghebbende, nu dividendbelasting-arbitrage, als daar al sprake van zou zijn, niet in strijd is met doel en strekking van de vrijstelling ex art. 5 Wet Pro Vpb. Doel en strekking van die bepaling betreffen slechts het adequaat functioneren als pensioenfonds.
4.De subjectieve vrijstelling van vennootschapsbelasting voor pensioenlichamen
Wet en wetsgeschiedenis
BNB1993/88 [31] betrof de overdracht van een pensioenverplichting jegens de directeur van een werkmaatschappij aan een nieuwe BV (de belanghebbende), die de voordien in eigen beheer gehouden pensioenverplichting overnam tegen cessie aan haar van een vordering op de BV van de zoon van de pensioengerechtigde. De pensioenverplichting bedroeg ultimo 1981 f 268.340 terwijl die vordering toen slechts f 144.655 waard was. U overwoog:
V-N1992/3489, p. 13 merkte op:
BNB1993/89 [32] betrof, andersom, een pensioen-BV met overdekking waarvan de aandelen werden gehouden door de kinderen van de pensioengerechtigde. Per 1 januari 1984 bedroeg de pensioenverplichting f 471.225,33, maar de bezittingen bestonden toen uit obligaties ad in totaal f 1.526.959,20 die voor f 926.052,53 waren aangekocht met geleend geld. In deze zaak achtte u de vrijstelling ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 niet van toepassing:
BNB1993/88:
BNB2001/196, [33] welk arrest soortgelijke transacties betrof als die van de belanghebbende (nl. gelijktijdige aankoop van aandelen en schrijven van putopties op die aandelen, met uitoefening van de puts meteen na dividendontvangst), uitgevoerd door een belanghebbende die weliswaar niet was vrijgesteld, maar die wel ex art. 25 Wet Pro Vpb 1969 gerechtigd was tot verrekening van ingehouden dividendbelasting met door haar verschuldigde vennootschapsbelasting. In geschil was of het gebruikmaken van de mogelijkheid tot verrekening van de (Nederlandse) dividendbelasting met de (Nederlandse) vennootschapsbelasting
fraus legisopleverde. U overwoog:
BNB2001/196: het verrekeningsrecht ex art. 25 Wet Pro Vpb 1969; in belanghebbendes zaak de vrijstelling ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969), verschillen beide zaken doordat het in HR
BNB2001/196 ging om (indirecte) restitutie van Nederlandse dividendbelasting terwijl het bij onze belanghebbende gaat om teruggaaf van in het buitenland ingehouden buitenlandse dividendbelasting. Daardoor gaat het in casu niet om doel en strekking van de Nederlandse dividendbelasting, maar om doel en strekking van de vrijstelling van vennootschapsbelasting ex art. 5 Wet Pro Vpb.
Vennootschapsbelasting, leidt uit de door de partijen veel bediscussieerde arresten HR BNB 1993/88 en 89 af dat de fiscus niet het beleggingsbeleid toetst, maar wel of het fonds meer onderneemt dan strookt met zijn primaire (verzorgings)doelstelling: [34]
normaal vermogensbeheerniet te boven gaan, welk criterium inmiddels is opgenomen in art. 3.91, lid 1, onder c, Wet IB 2001. De staatssecretaris merkte ten aanzien van het begrip ‘normaal vermogensbeheer’ het volgende op:
feenaar een
profit shareten gunste van vermogensbeheerder [A] (ook) voor de belanghebbende zakelijk was. Voor cassatiedoeleinden staat daarmee mijns inziens vast dat de belanghebbende het belang van haar deelnemers diende en zich niet ten doel stelde het belang van Investec of van [A] te dienen. Daarmee staat echter nog niet vast dat de belanghebbende zich nagenoeg uitsluitend pensioenverzorging ten doel stelde zoals bedoeld in art. 5(1)(b) Wet Vpb.
kunnenovereenstemmen) dan wel (ii) gesplitst kunnen worden in een vrijgesteld deel (pensioenverzorging op basis van pensioenregelingen) en een belast deel (werkzaam-heden die niet rechtstreeks verband houden met uitvoering van pensioenregelingen) volgens de laatste zinsnede van art. 5(1)(b) Wet Vpb (nu de belanghebbende immers in het geheel niet onder die bepaling valt). Toch gaat het Hof ook nog in op de werkzaamhedentoets van art. 3 UB Pro Vpb en constateert in r.o. 4.8.11 dat de belanghebbende (ook) niet voldoet aan de eis dat haar werkzaamheden overeenstemmen met het doel dat art. 5(1)(b) Wet Vpb eist. Ook het Hof overweegt al dat de verhouding tussen die twee bepalingen niet erg helder is en dat de grens tussen (i) het doelstellingsvereiste (art. 5(1)(b) Wet Vpb; Hof ‘de oogmerktoets’) en (ii) het werkzaamhedenvereiste (art. 3 UB Pro Vpb) ‘diffuus’ is (r.o. 4.8.5).
doelstellingstoetsof oogmerktoets (
middel I) op neer komt is de vraag: is de belanghebbende nagenoeg geheel aan het beleggen of is zij voor meer dan 10% aan het ondernemen? Dat is vooral een feitelijke vraag omdat de wetgever nauwelijks juridische criteria heeft gegeven. Dat de beleggingsvrijheid gerespecteerd moet worden, is geen verhelderend gezichtspunt, omdat beleggingsvrijheid niet relevant is bij personen die niet beleggen maar ondernemen. Ook de ondernemersvrijheid moet trouwens gerespecteerd worden. De belangrijkste bron van concrete criteria lijkt mij het door de wetgever (althans de regering) op dit punt overgenomen rapport van de Commissie Staatsen (zie 4.11 hierboven), waaruit volgt dat ‘ondernemend beleggen’ aanvaardbaar kan zijn, maar niet moet ontaarden in ‘beleggend ondernemen’, dat wil zeggen dat juridisch en feitelijk een onderneming (mede) wordt gedreven en het pensioenfonds (dus) ondernemersrisico en -verantwoordelijkheid draagt (“zeggenschap in, resp. verbondenheid met, een onderneming en/of betrokkenheid bij de governance ervan”). Dat bepaalde nevenactiviteiten in het belang van de deelnemers zijn, of dat een nevenactiviteit inkomsten of andere materiële voordelen voor het fonds of de deelnemers oplevert is volgens de Commissie Staatsen en de medewetgever onvoldoende reden om die activiteiten toe te staan. De activiteiten van een pensioenfonds moeten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een pensioenregeling, of daarmee rechtstreeks verband houden. Een pensioenfonds moet binnen zijn kernactiviteiten en binnen zijn domein blijven, want anders handelt hij niet in overeenstemming met zijn bijzondere karakter als specifieke taakorganisatie. Het optreden als algemene onderneming staat hiermee, aldus nog steeds de regering in navolging van de Commissie Staatsen, op gespannen voet.
profit partnershipverraadt met name geen verkeerde invulling van de term ‘simpel vermogensbeheer’ of ‘normaal vermogensbeheer’;
BNB1993/89) aan de partijen had moeten voorleggen alvorens uitspraak te doen. Die stelling vindt geen steun in het recht. ’s Hofs invulling van ‘eenvoudig vermogensbeheer’ is mijns inziens geenszins verrassend, maar strookt juist met de bestaande rechtspraak, met name met het veel bediscussieerde arrest HR
BNB1993/89.
werkzaamhedentoets betreft (
middel II) gaat het – zoals het Hof ook overweegt – om deels dezelfde vraag: passen de feitelijke activiteiten bij pensioenverzorging (belegging) zoals de Commissie Staatsen en de regering die zagen?
BNB1993/89 op dat het een vrijgesteld pensioenfonds niet is toegestaan structureel te beleggen met andere middelen dan de ingelegde premiegelden. Het Hof gaat er kennelijk vanuit dat in casu sprake is van ‘beleggen’ en dus niet van ondernemen. Hij lijkt de werkzaamhedentoets dus alleen – mijns inziens terecht – als subsidiair te beschouwen, dus als alleen relevant indien de doelstellingstoets met succes is gepasseerd: ervan uitgaande dat wél sprake is van (een doelstelling om te) beleggen, dan blijft de vrijstelling alsnog buiten toepassing als de beleggingsactiviteit onvoldoende strookt met een pensioenverzorgingsdoelstelling. Het Hof oordeelt dat zulks in casu het geval is. Dat oordeel is mijns inziens, zoals gezegd, ten overvloede gegeven.
longposities te financieren, (vii) zij trekt daarnaast structureel en tot aanzienlijke bedragen ‘echte’ bankleningen (‘debts to banks’) aan; ook daardoor beschikt zij over aanzienlijke andere te beleggen middelen dan pensioenpremies.
BNB1993/89; mijns inziens eveneens vergeefs: dat arrest is mijns inziens (nog steeds) algemeen relevant voor de werkzaamhedentoets ex art. 3 UB Pro Vpb en niet slechts ter zake van een mogelijk lek bij directiepensioenfondsen. ’s Hofs toepassing ervan op belanghebbendes geval komt mij voorts rechtskundig correct voor, met name met betrekking tot de invulling van de term ‘andere middelen’ (dan premiegelden en daarop verschenen depositorente). Het is op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden duidelijk dat de belanghebbende – vergeleken met de ingelegde premies en daarop behaalde depositorente – jaarlijks indrukwekkende bedragen omzet, dat zij een verbazingwekkend balanstotaal toont, dat zij haar posities minstens deels moet voorfinancieren en dat zij significant andere middelen dan premie en daarop verschenen depositorente inzet voor haar ‘zeer profijtelijke kunstje’. Hoe die andere dan premiebedragen gefinancierd zijn en of haar posities al dan niet afgedekt zijn, doet niet ter zake, zoals uit HR
BNB1993/89 blijkt. Dat een verplichting afgedekt is, wil niet zeggen dat zij er niet is, noch dat nooit afdekkingsfouten gemaakt worden. Nu blijkens HR
BNB1993/89 de wijze van financiering van die andere middelen dan premies en depositorente niet ter zake doet voor de werkzaamhedentoets, doet ook niet ter zake of sprake was van echte of synthetische leningen of van
securities lendingof van
multiplying. Het gaat om het blote feit dat de belanghebbende belegt (of onderneemt) met significante andere middelen dan premie-inleg en de opbrengst van het parkeren van die inleg. Dat niet elk nevendoel of wezensvreemde activiteit in de weg staat aan de vrijstelling laat zich horen, maar dat heeft het Hof ook niet gezegd. ’s Hofs oordeel dat belanghebbendes werkzaamheid onvoldoende strookt met pensioenverzorging acht ik niet onvoldoende gemotiveerd.
securities lending, kon het Hof voorbijgaan aan een bewijsaanbod te dier zake.
5.Op de zaak betrekking hebbende stukken (middel IV)
De inspecteur:
De gemachtigde:
De inspecteur:
BNB2015/129 [43] en een uitspraak van het Hof Amsterdam dat het Hof ex art. 8:42 Awb Pro de Inspecteur ambtshalve had moeten verzoeken het dossier aan te vullen, hem daartoe de gelegenheid had moeten bieden en bij niet-aanvulling zich had moeten beraden op het gevolg daarvan.
BNB2015/129 een geval betrof waarin de belanghebbende gemotiveerd verzocht stukken toe te voegen aan het procesdossier en dat daarvan in haar geval geen sprake is. [44] Het Hof Amsterdam oordeelde in de door de belanghebbende bedoelde uitspraak [45] dat als de Rechtbank constateert dat de Inspecteur niet voldaan heeft aan zijn verplichting ex art. 8:42 Awb Pro om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar over te leggen, zij ofwel moet toezien op overlegging van de ontbrekende stukken, ofwel moet onderzoeken of een beroep van de Inspecteur op art. 8:29 Awb Pro gerechtvaardigd is. Het Hof Amsterdam verwijst daarbij naar HR
BNB2012/251. [46] In dat arrest stond echter feitelijk vast dat de litigieuze aanslagen mede waren gebaseerd op een intern memo dat niet was overgelegd. Ook van een dergelijke situatie is in casu geen sprake. De belanghebbende betoogt dat de feitenrechter niettemin van ambtswege om overlegging van stukken had moeten vragen.
BNB2008/161 [47] overwoog dat (mijn
curs.)
aan een verzoek van de belanghebbendetot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.”
6.Geen integrale proceskostenvergoeding (middel V)
BNB2010/57 [50] over de verhouding tussen proceskosten en procesbelang in belastingzaken en art. 6 EVRM Pro overwogen:
criminal chargeof
determination of civil rights and obligationsaan de orde is, en evenmin een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. [51]
BNB2005/374 [52] heeft u geoordeeld dat hogere werkelijke proceskosten dan de forfaitaire vergoeding op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is in de zin van art. 2(3) van het Besluit proceskosten bestuursrecht.