ECLI:NL:HR:2001:ZC3598
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- R. Herrmann
- C.H.M. Jansen
- J.B. Fleers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onderhoudsplicht levensgezel in homorelaties en art. 8 en 14 EVRM
Verzoekster heeft bij de Rechtbank een bijdrage van verweerster gevorderd voor de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind, geboren uit hun langdurige lesbische relatie. De Rechtbank wees het verzoek toe, stellende dat de term 'levensgezel' in art. 1:394 BW Pro ook op vrouwelijke partners van toepassing moet zijn. Het Hof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis en het onderscheid in de wet tussen mannelijke en vrouwelijke levensgezellen.
In cassatie stelde verzoekster dat deze beperking in strijd is met de artikelen 8 en 14 EVRM, die het recht op respect voor privé- en gezinsleven en het discriminatieverbod waarborgen. De Hoge Raad overwoog dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM) niet volgt dat een lesbische relatie tussen de moeder en haar vrouwelijke partner onder het begrip 'family life' valt zoals bedoeld in art. 8 EVRM Pro.
Verder werd geoordeeld dat art. 14 EVRM Pro geen zelfstandig recht op vrijwaring van discriminatie biedt, maar alleen in samenhang met andere EVRM-bepalingen geldt. Aangezien art. 8 EVRM Pro niet van toepassing is op de situatie, geldt art. 14 EVRM Pro ook niet. De Hoge Raad bevestigde dat de nationale wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de beperking in art. 1:394 BW Pro niet onverenigbaar is met het EVRM. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de onderhoudsplicht beperkt is tot mannelijke levensgezellen, zonder strijd met art. 8 en 14 EVRM.