Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Ballast Nedam - heeft bij exploit van 30 oktober 1987 verweerster in cassatie - verder te noemen: B & G - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd B & G te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van ƒ 487.605,-- te verhogen met de wettelijke rente van 3 september 1987 tot op de dag van algehele voldoening, en tot vergoeding van additionele interne en externe gevolgschade en kosten van Ballast Nedam, nader op te maken bij staat, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 3 september 1987 tot op de dag van algehele voldoening.
Bij incidentele conclusie tot vrijwaring heeft B & G gevorderd de oproeping van Sigma Coating B.V. (hierna: Sigma), Staalstraal Brabant B.V. (hierna: Staal-straal) en B.V. Rotterdamsch Zandstraal- en Schildersbedrijf (hierna: RZB) in vrijwaring te gelasten.
Nadat Ballast Nedam een incidentele conclusie van antwoord tot afwijzing vrijwaring had genomen, heeft de Rechtbank bij vonnis van 4 november 1988 in het incident de oproeping in vrijwaring toegestaan en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen teneinde voort te procederen.
B & G heeft vervolgens in de hoofdzaak de vordering bestreden.
Na een tussenvonnis van 16 november 1990 heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 16 juli 1993 in de hoofdzaak partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten zoals in rechtsoverweging 2.13 van haar vonnis aangegeven en in de vrijwaringszaak elke verdere beslissing aangehouden. Bij tussenvonnis van 13 januari 1995 heeft de Rechtbank in de hoofdzaak bevolen dat een deskundigenbericht zal worden uitgebracht, daartoe vragen geformuleerd, een deskundige benoemd en in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak iedere verdere beslissing aangehouden. Bij eindvonnis van 5 juli 1996 heeft de Rechtbank in de hoofdzaak de vordering van Ballast Nedam afgewezen en Ballast Nedam veroordeeld in de kosten op de hoofdzaak gevallen, die van het vrijwaringsincident daaronder begrepen, aan de zijde van B & G begroot op ƒ 26.850,--. In de vrijwaringszaak heeft de Rechtbank de vordering van B & G afgewezen en haar veroordeeld in de kosten op de vrijwaring gevallen, aan de zijde van Sigma, Staalstraal en RZB begroot op ƒ 34.800,--.
Tegen de vonnissen van 16 november 1990, 16 juli 1993 en 5 juli 1996 heeft Ballast Nedam hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. B & G heeft incidenteel appel ingesteld tegen de door de Rechtbank uitgesproken kostenveroordeling.
Bij arrest van 20 mei 1999 heeft het Hof de vonnissen van de Rechtbank van 16 november 1990, 16 juli 1993 en 5 juli 1996 bekrachtigd. Het Hof heeft Ballast Nedam veroordeeld in de kosten van het geding in het principaal appel, aan de zijde van B & G begroot op ƒ 8.280,-- aan verschotten en ƒ 6.200,-- voor salaris van de procureur en B & G in de kosten van het geding in het incidenteel appel aan de zijde van Ballast Nedam begroot op ƒ 3.100,-- voor salaris van de procureur.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.