Conclusie
curator
Rabobank
[A]), en Rabobank is een kredietovereenkomst tot stand gekomen, in welk kader ten behoeve van Rabobank pandrechten zijn gevestigd op, kort gezegd, de inventaris, de voorraden en de debiteuren van [A] .
1.Feiten
arrestrespectievelijk het
hof). [1]
Friesland Bank) als kredietgever. Krachtens deze kredietovereenkomst verstrekt Friesland Bank aan [A] een krediet in rekening‑courant met een limiet van € 150.000.-. Daarnaast verstrekt Friesland Bank een lening van € 50.000,-. Ter zake van het krediet in rekening‑courant van € 150.000,- is geen aflossingsverplichting overeengekomen. Ter zake van de geldlening van € 50.000,- is een aflossing overeengekomen van 119 maandtermijnen elk groot € 150,- voor het eerst te voldoen op 1 januari 2010 met een slottermijn van € 32.150,-. De geldlening van € 50.000,- dient te zijn afgelost in juli 2019.
Kort). Rabobank heeft laten weten dat zij akkoord kon gaan met de overdracht onder de voorwaarde dat [A] een financieringsovereenkomst met Rabobank zou sluiten, op grond waarvan [A] hetgeen zij verschuldigd is uit hoofde van de kredietovereenkomst d.d. 14 juli 2009 versneld aan Rabobank zou aflossen.
Financieringsovereenkomst) is de bestaande financiering van € 170.000,- (zijnde een krediet in rekening courant van € 130.000,- en een geldlening van € 39.800,-) geherstructureerd in een lineaire geldlening van € 170.000,-. [A] dient krachtens deze Financieringsovereenkomst een bedrag van € 8.334,- per maand af te lossen aan Rabobank met een extra aflossing van € 11.666,- per 1 november 2015. De eerste aflossing dient plaats te vinden op 1 oktober 2015 en de laatste aflossing moet plaatsvinden in mei 2017.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
primair: een verklaring voor recht dat de door de curator bij brief van 13 januari 2017 ingeroepen vernietiging van de Financieringsovereenkomst op grond van de faillissementspauliana gegrond is;
subsidiair: de Financieringsovereenkomst te vernietigen op grond van art. 42 Faillissementswet Pro (Fw) in verbinding met art. 3:51 Burgerlijk Pro Wetboek (BW);
zowel primair als subsidiair: Rabobank te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot betaling van het bedrag van € 99.604,- en betaling aan de curator van de (na)kosten van het geding vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten. Rabobank heeft verweer gevoerd.
rechtbank) een comparatie van partijen gelast. [2] De comparatie heeft plaatsgevonden op 6 december 2017 en daarvan is proces‑verbaal opgemaakt. Tijdens de comparitie hebben (de advocaten van) partijen het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, die aan het proces‑verbaal zijn gehecht. Uit het proces-verbaal blijkt verder dat tot de gedingstukken behoren de brief van de advocaat van Rabobank d.d. 21 november 2017 (met producties 22 en 23) en de brief van de curator d.d. 1 december 2017 (met productie 22).
eindvonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van de curator afgewezen en hem veroordeeld in de kosten van het geding. [3]
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
nrs. 1.1-1.4) keert zich met diverse klachten tegen de overwegingen van het hof in rov. 5.10, eerste zin [6] en rov. 5.10, derde zin. [7] Tevens valt in het onderdeel, zij het verkapt, een klacht te ontwaren tegen het daaraan voorafgaande oordeel van het hof in rov. 5.9 dat, zonder nader nadere onderbouwing, die door de curator buiten zijn verwijzing naar “ING/Gunning” niet is gegeven, niet zonder meer valt in te zien waarom, zoals betoogd door de curator in de grief, bij het maken van de situationele vergelijking in het kader van art. 42 Fw Pro (zoals bedoeld in rov. 5.5 van het hof) bij de hypothetische situatie geen rekening zou moeten worden gehouden met de uitoefening van pandrechten die in de werkelijke situatie zijn prijsgegeven, zodat het hof dat in navolging van de rechtbank wél zal doen. [8]
nrs. 2.1-2.14) komt met een breed palet aan rechts- en motiveringsklachten op tegen de door het hof in rov. 5.10, in navolging van de rechtbank, gemaakte vergelijking tussen de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling en de situatie waarin zij feitelijk verkeren als die rechtshandeling onaangetast blijft. Daarbij zijn de pijlen met name gericht op de door het hof voor juist aangenomen overwegingen van de rechtbank dat, in de hypothetische situatie dat [A] haar activa zonder toestemming van Rabobank zou hebben verkocht, Rabobank haar pandrecht op de verkoopopbrengst openbaar had kunnen maken aan de koper en/of zelf over had kunnen gaan tot het executoriaal te gelde maken van de verpande activa, en dat dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat de verkoopopbrengst van de verpande activa beschikbaar was geweest voor de gezamenlijke schuldeisers indien de Financieringsovereenkomst niet zou zijn gesloten (zie rov. 5.10, tweede zin onder (iii) en (iv) van het hof). [9] Verder vallen in het onderdeel klachten te ontwaren met de strekking dat het hof in rov. 5.9 en 5.10 heeft miskend dat de verkoop en levering van de activa aan koper Kort geen deel uitmaken van het bij de situationele vergelijking inzake het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro (zoals bedoeld in rov. 5.5 van het hof) in aanmerking te nemen samenstel van (rechts)handelingen. [10] Tot slot kan in het onderdeel nog een (afzonderlijke) klacht worden gelezen tegen het oordeel van het hof in rov. 5.10, eerste en derde zin, dat door de curator niet inhoudelijk is gegriefd tegen de door het hof in rov. 5.10, tweede zin onder (i) t/m (iv) samengevat weergegeven overwegingen van de rechtbank. [11]
nr. 3.1) bevat uitsluitend ‘voortbouwklachten’.
[…] /Gilhuis q.q.-arrest van de Hoge Raad, zoals weergegeven in rov. 4.4 van het eindvonnis:
NJ2001, 654).”
ING/Gunning q.q.-arrest van de Hoge Raad [15] volgt dat “
hypothetische rechtshandelingen, door Faber [16] aangeduid als ‘gebeurtenissen die zich hadden kunnen voordoen, maar zich feitelijk niet hebben voorgedaan’ volgens de Hoge Raad niet verdisconteert mogen worden” (zo citeert het hof daar, met cursivering, uit de memorie van grieven, nr. 13.7). [17] Uit rov. 5.7, tweede zin blijkt dat het hof de curator aldus begrijpt, dat de rechtbank (bij de vergelijking als bedoeld in rov. 5.5 van het hof) ten onrechte rekening heeft gehouden met wat de bank in de hypothetische situatie zonder de gewraakte rechtshandeling [18] als pandhouder zou hebben gedaan. Daarbij betrekt het hof in rov. 5.7, derde en vierde zin dat de curator heeft gesteld dat Rabobank nu eenmaal haar pandrechten en positie als separatist heeft vrijgegeven, net als ING in bedoeld arrest afstand had gedaan van haar hypotheekrecht, en dat Rabobank zich vervolgens heeft trachten te verhalen op de opbrengst van de bedrijfsactiva terwijl zij geen voorrang had. Met andere woorden, aldus het hof in rov. 5.7, laatste zin:
“De Financieringsovereenkomst heeft geleid tot benadeling van schuldeisers van [A]” (citerend, wederom met cursivering, uit de memorie van grieven, nr. 13.6).
ING/Gunning q.q.-arrest van de Hoge Raad, dat de rechtbank bij het maken van de situationele vergelijking inzake dat vereiste zoals bedoeld in rov. 5.5 van het hof ten onrechte rekening heeft gehouden met wat Rabobank in de hypothetische situatie zonder de gewraakte rechtshandeling (de Financieringsovereenkomst) als pandhouder zou hebben gedaan (specifiek: de uitoefening van pandrechten die door Rabobank in de werkelijke situatie zijn prijsgegeven), [21] omdat dit ‘rekening houden’ met zulke hypothetische factoren in algemene zin niet mag bij het maken van zo’n situationele vergelijking, los van de concrete invulling die de rechtbank aan dat ‘rekening houden’ hier vervolgens heeft gegeven. [22] Zoals het hof daarbij benadrukt, in rov. 5.7:
NJ 2005, 199) volgt dat “
hypothetische rechtshandelingen, door Faber[.] aangeduid als ‘gebeurtenissen die zich hadden kunnen voordoen, maar zich feitelijk niet hebben voorgedaan’ volgens de Hoge Raad niet verdisconteert mogen worden” (MvG 13.7).
De Financieringsovereenkomst heeft geleid tot benadeling van schuldeisers van [A].” (MvG 13.6).” [verschrijving en cursivering in origineel, A-G]
de wijze waarop de rechtbank vervolgensdie situationele vergelijking inzake dat vereiste heeft gemaakt (dus: de concrete invulling die de rechtbank aan dat ‘rekening houden’ hier vervolgens heeft gegeven), zoals bedoeld en samengevat weergegeven in rov. 5.10, eerste zin en tweede zin onder (i) t/m (iv) met inbegrip van de hypothetische situatie, zodat het hof van de juistheid dáárvan zal uitgaan. [25] En daarmee is in hoger beroep, volgend op rov. 5.9 van het hof, waarover hiervoor, het pleit beslecht. Uit die door de rechtbank gemaakte situationele vergelijking blijkt immers, zo memoreert het hof (en m.i. alleszins begrijpelijk, gelet op rov. 4.6-4.7 van het eindvonnis waaruit dit blijkt), dat schuldeisersbenadeling in de zin van art. 42 Fw Pro hier niet is komen vast te staan. Daarom hoeft niet onderzocht te worden of is voldaan aan de overige vereisten van art. 42 Fw Pro, met name de wetenschap van benadeling, waarop het hof ook wijst in rov. 5.2 onder (iii) onder verwijzing naar de stellingname van de curator ter zake [26] en in rov. 5.9. Verder kan dan in het midden blijven de vraag of Rabobank niet ook een pandrecht op de koopprijs had, zoals zij stelt (zie ook rov. 5.8, slotzin van het hof) en de curator betwist. Aldus het hof in rov. 5.10, vierde t/m zesde zin. [27] Daarop sluit weer aan de vaststelling van het hof in rov. 5.11 dat de grief van de curator faalt. Zie onder 3.9 hiervoor.
nrs. 1.1-1.4) keert zich tegen de overwegingen van het hof in rov. 5.10, eerste en derde zin, waarbij het onderdeel kennelijk uitgaat van een flink aantal alternatieve lezingen. [28]
nr. 1.1geklaagd dat de oordelen in rov. 5.10, eerste en derde zin onvoldoende zijn gemotiveerd althans onbegrijpelijk zijn, in het licht van de essentiële stellingen van de curator dat met hypothetische rechtshandelingen van Rabobank geen rekening dient te worden gehouden [29] en dat Rabobank vrijwillig afstand heeft gedaan van haar pandrecht. [30]
nr. 1.2geklaagd dat dit oordeel onjuist is, nu een dergelijke rechtsregel niet bestaat. Volgens de curator is het oordeel van het hof in rov. 5.10, derde zin dat de in rov. 5.10, tweede zin onder (i) t/m (iv) samengevat weergegeven overwegingen van de rechtbank niet inhoudelijk door de grief zijn bestreden, bovendien onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk, omdat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang en daarom niet kan worden gecontroleerd of het de voormelde rechtsregel heeft miskend. De curator klaagt voorts dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is, in het licht van zijn essentiële stelling dat de bedoelde overwegingen van de rechtbank zien op hypothetische rechtshandelingen, terwijl hiermee geen rekening dient te worden gehouden. [31]
nr. 1.3geklaagd dat ook dit oordeel onjuist althans onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is.
nr. 1.4geklaagd dat ook dit oordeel onjuist althans onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is.
nr. 1.3, gaat het uit van een onjuiste lezing en mist het feitelijke grondslag. Voor zover het onderdeel wel uitgaat van een juiste lezing, en aldus moet worden verstaan dat rov. 5.10, eerste en derde zin van het hof onbegrijpelijk zijn in het licht van de (essentiële) stellingen van de curator in de memorie van grieven, waaronder nrs. 13.2-13.7, [32] of onjuist zijn omdat het hof van een verkeerd begrip ‘grief’ is uitgegaan (vgl. nrs.
1.1-1.2), loopt het vast op het volgende.
4.6. Volgens de curator zou deze verkoopopbrengst zonder de gewraakte rechtshandeling beschikbaar zijn geweest voor de gezamenlijke schuldeisers. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden is bij voorgenomen verkoop van verpande goederen immers toestemming nodig van Rabobank als pandhouder en Rabobank heeft (onweersproken) aangevoerd dat zij zonder de herstructurering van de financiering niet zou hebben ingestemd met de verkoop van de verpande activa van [A] aan Kort. Bovendien geldt dat indien [A] haar activa zonder toestemming van Rabobank zou hebben verkocht, Rabobank haar pandrecht op de verkoopopbrengst openbaar had kunnen maken aan de koper en/of zelf over had kunnen gaan tot het executoriaal te gelde maken van de verpande activa. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat verkoopopbrengst van de verpande activa beschikbaar was geweest voor de gezamenlijke schuldeisers indien de Financieringsovereenkomst niet zou zijn gesloten.
[…] /Gilhuis q.q.-arrest van de Hoge Raad (waarover dus ook nr. 12, eerste zin) heeft toegepast op het onderhavige geval.
[…] /Gilhuis q.q.-arrest van de Hoge Raad. Vervolgens stelt hij, in nr. 13.2, tweede alinea, dat de rechtbank in rov. 4.6 van het eindvonnis overweegt dat Rabobank (onweersproken) heeft aangevoerd dat zij zonder de herstructurering van de financiering niet zou hebben ingestemd met de verkoop van de verpande activa van [A] aan Kort, alsmede dat bovendien geldt dat indien [A] haar activa zonder toestemming van Rabobank zou hebben verkocht, Rabobank haar pandrecht op de verkoopopbrengst openbaar had kunnen maken aan de kopen en/of zelf over had kunnen gaan tot het executoriaal te gelden maken van de verpande activa. Hieraan verbindt hij in nr. 13.2, derde alinea de volgende gevolgtrekking:
ING/Gunning q.q.-arrest van de Hoge Raad (geciteerd, met enkele toevoegde onderstrepingen) “echter” blijkt dat ING tevergeefs heeft betoogd dat de schuldeisers niet zijn benadeeld doordat zij met Ede en Veenendaal is overeengekomen dat ING afstand zou doen van haar recht van hypotheek op voorwaarde dat de koopprijs van de onroerende zaken zou worden betaald op de rekening van Ede bij de bank, zodat de bank zich daarop door verrekening kon verhalen. De curator stelt voorts dat de Hoge Raad in dat arrest consequenties verbindt aan het feit dat ING vrijwillig afstand heeft gedaan van haar hypotheekrecht. [38] Daarop volgen enkele losse citaten van N.E.D. Faber [39] in nr. 13.4 en N.S.G.J. Vermunt [40] in nr. 3.15. Tot slot legt de curator in nrs. 13.6-13.7 een verband tussen het
ING/Gunning q.q.-arrest van de Hoge Raad en de onderhavige zaak:
ING/Gunning q.q.-arrest van de Hoge Raad, dat de rechtbank bij het maken van de situationele vergelijking inzake dat vereiste zoals bedoeld in rov. 5.5 van het hof ten onrechte rekening heeft gehouden met wat Rabobank in de hypothetische situatie zonder de gewraakte rechtshandeling (de Financieringsovereenkomst) als pandhouder zou hebben gedaan (specifiek: de uitoefening van pandrechten die door Rabobank in de werkelijke situatie zijn prijsgegeven), omdat dit ‘rekening houden’ met zulke hypothetische factoren in algemene zin niet mag bij het maken van zo’n situationele vergelijking, los van de concrete invulling die de rechtbank aan dat ‘rekening houden’ hier vervolgens heeft gegeven, [44]
de wijze waarop de rechtbank vervolgensde situationele vergelijking heeft gemaakt inzake dat vereiste (dus: de concrete invulling die de rechtbank aan dat ‘rekening houden’ hier vervolgens heeft gegeven), zoals bedoeld en samengevat weergegeven door het hof in rov. 5.10, eerste zin en tweede zin onder (i) t/m (iv) met inbegrip van de hypothetische situatie.
de wijze waarop de rechtbank vervolgensde situationele vergelijking heeft gemaakt inzake dat vereiste, etc.) evenmin traceerbaar is ingegaan in passages in onderdeel III van de memorie van grieven volgend op nrs. 13.1-13.7 (dus: nrs. 14.1-14.8 onder het kopje “Wetenschap van benadeling” of nr. 15 onder het kopje “Geen verrekening mogelijk”), elders in de memorie van grieven (dus: de algemene inleiding in onderdeel I, het feitenrelaas in onderdeel II, het bewijsaanbod in onderdeel IV of de conclusie in onderdeel V) of in zijn akte d.d. 8 januari 2019 [45] (wat betreft die akte nog daargelaten de werking van de ‘tweeconclusieregel’). [46] De curator beroept zich daarop ook niet in het cassatiemiddel, waarin ter zake wat betreft vindplaatsen in de gedingstukken enkel wordt verwezen naar nrs. 10.1 en 13.2-13.7 van de memorie van grieven. [47] Daarbij betrek ik verder dat het hof, in het bijzonder gelet op rov. 5.4-5.7 en 5.9-5.11 (in onderling(e) verband en samenhang bezien), ter zake voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, alsook dat deze uitleg die het hof daar heeft gegeven aan de grief van de curator wat betreft het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro tevens strookt met de wijze waarop Rabobank die grief van de curator ter zake heeft opgevat in haar memorie van antwoord, onder het kopje “Grief I”. Zo valt daar, in de nrs. 77 en 78, het volgende te lezen, in reactie op het betoog van de curator in de grief (nrs. 12, eerste zin en 13.1-13.7 van de memorie van grieven) wat betreft het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro:
de wijze waarop de rechtbank vervolgensde situationele vergelijking heeft gemaakt inzake het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro (dus: de concrete invulling die de rechtbank aan dat ‘rekening houden’ hier vervolgens heeft gegeven), zoals bedoeld en samengevat weergegeven door het hof in rov. 5.10, eerste zin en tweede zin onder (i) t/m (iv) met inbegrip van de hypothetische situatie. Zoals het voorgaande ook laat zien, blijkt uit de memorie van antwoord evenmin dat Rabobank op dezelfde lijn zit als de curator in de memorie van grieven wat betreft diens standpunt omtrent toepassing van het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro, zoals door het hof dus - in cassatie onbestreden - is weergegeven in rov. 5.7 (zie onder 3.7-3.8 en 3.10 hiervoor). [55] Dit is overigens, en logischerwijs, niet anders wat betreft de akte van Rabobank d.d. 5 februari 2019, waarin zij (voortbordurend op haar memorie van antwoord) reageert op de akte van de curator d.d. 8 januari 2019 [56] en onder meer opmerkt (nr. 12) dat zij:
nrs. 1.1-1.2) bedoelde essentiële stellingen van de curator dat met hypothetische rechtshandelingen van Rabobank geen rekening dient te worden gehouden, [58] en dat Rabobank vrijwillig afstand heeft gedaan van haar pandrecht, [59] heeft het hof kenbaar betrokken in rov. 5.7 en 5.9, wat dus ook de juiste plaats daarvoor was gelet op het voorgaande. Dat dit er niet toe leidt dat ’s hofs oordelen in rov. 5.10, eerste en derde zin onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk zijn, behoeft hier geen toelichting meer gegeven het voorgaande. Voor zover het onderdeel uitgaat van de lezing (zie met name
nr. 1.4) waarin het betoog van de curator in de grief “inzake het niet rekening houden met hypothetische rechtshandelingen” reeds door het hof is beoordeeld en verworpen in rov. 5.9, sluit dat weliswaar aan bij wat het hof dus daadwerkelijk heeft gedaan in het arrest ten aanzien van het betoog van de curator in de grief wat betreft het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro (zie onder 3.10 hiervoor), [60] maar verdient opmerking (uitgaande van een bepaald welwillende lezing) dat het onderdeel vervolgens kennelijk niet zozeer klaagt over rov. 5.10, eerste en derde zin van het hof, als wel, onder verwijzing naar het gestelde in
nr. 1.3, over het oordeel van het hof in rov. 5.9. [61] Daarmee keert het onderdeel zich in zoverre dus niet tegen rov. 5.10, eerste en derde zin van het hof, maar tegen de verwerping door het hof in rov. 5.9 van het voornoemde betoog van de curator in de grief. [62] Ik kom daarop terug bij de behandeling van de klachten tegen rov. 5.9 van het hof, in het bijzonder onder 3.14-3.19 hierna.
onderdeel 2(zie met name
nr. 2.9) nog de (afzonderlijke) klacht moet worden gelezen dat hetgeen het hof overweegt in rov. 5.10, eerste en derde zin onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk is, omdat het onderhavige oordeel van de rechtbank in rov. 4.6 van het eindvonnis [63] niet alleen is bestreden met de grief dat dit een hypothetische rechtshandeling betreft, [64] maar tevens met de grief dat Rabobank in de werkelijke situatie afstand heeft gedaan van haar pandrecht, [65] geldt dat ook deze klacht dient te falen. Uit rov. 5.7 en 5.9, in onderling(e) verband en samenhang bezien, blijkt dat het hof de stelling in de memorie van grieven (in nr. 13.6) dat Rabobank “vrijwillig afstand [heeft] gedaan van haar zekerheidsrechten en haar positie van separatist” heeft opgevat als onderdeel van het principiële betoog van de curator in de grief wat betreft het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro, onder verwijzing naar het
ING/Gunning q.q.-arrest van de Hoge Raad, dat de rechtbank bij het maken van de situationele vergelijking inzake dat vereiste zoals bedoeld in rov. 5.5 van het hof ten onrechte rekening heeft gehouden met wat Rabobank in de hypothetische situatie zonder de gewraakte rechtshandeling (de Financieringsovereenkomst) als pandhouder zou hebben gedaan (specifiek: de uitoefening van pandrechten die door Rabobank in de werkelijke situatie zijn prijsgegeven), omdat dit ‘rekening houden’ met zulke hypothetische factoren in algemene zin niet mag bij het maken van zo’n situationele vergelijking, los van de concrete invulling die de rechtbank aan dat ‘rekening houden’ hier vervolgens heeft gegeven (waarover onder 3.10 hiervoor). Zie mede rov. 5.7, derde t/m vijfde zin, waarin het hof in dat verband overweegt:
ING/Gunning q.q.-arrest van de Hoge Raad, A-G] afstand had gedaan van haar hypotheekrecht. Rabobank heeft zich vervolgens trachten te verhalen op de opbrengst van de bedrijfsactiva terwijl zij geen voorrang had. Met andere woorden: “
De Financieringsovereenkomst heeft geleid tot benadeling van schuldeisers van [A].” (MvG 13.6).” [cursivering in origineel, A-G]
nr. 1.4, gelezen in samenhang met
nr. 1.3) dat kennelijk mede wordt geklaagd dat het oordeel van het hof in rov. 5.9 onjuist althans onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is, omdat het hof daarmee zou hebben miskend dat: [67]
zou hebben kunnen doenin die hypothetische situatie.
[…] /Gilhuis q.q.-arrest van de Hoge Raad. [73] In dat arrest oordeelde de Hoge Raad in rov. 3.5.2, voor zover hier van belang:
hypothetischesituatie (waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling) en de
werkelijkesituatie (waarin zij feitelijk verkeren als die rechtshandeling onaangetast blijft). Daarvoor zal, vanzelfsprekend, wel eerst moeten worden bepaald wat die hypothetische situatie in het voorliggende geval inhoudt. Zoals ook strookt met het vaststellen van gehoudenheid tot schadevergoeding, [75] dient daarbij rekening te worden gehouden met hetgeen zich feitelijk zou hebben voorgedaan zonder de gewraakte rechtshandeling, wat iets anders en minder ruim is dan hetgeen wellicht allemaal had kunnen plaatsvinden (‘mogelijkerwijs’). Dit vergt naar de aard - hoewel niet altijd eenvoudig - een reële, navolgbare inschatting van wat er concreet zou zijn gebeurd als die rechtshandeling niet had plaatsgevonden, welk waarschijnlijkheidsoordeel intrinsiek contextueel is. [76] Vertaald naar de onderhavige zaak, waarin sprake is van een samenstel van (rechts)handelingen zoals uiteengezet door het hof - in cassatie onbestreden - in rov. 5.9, [77] sluit het voorgaande m.i. in dat bij het maken van een volwaardige situationele vergelijking inzake het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro naar het daarvoor relevante moment zoals ook bedoeld in rov. 5.5 van het hof, ter bepaling van de hypothetische situatie waarin de schuldeisers van [A] zouden hebben verkeerd zonder de Financieringsovereenkomst ook rekening wordt gehouden met (het vastgestelde omtrent) hetgeen Rabobank in die situatie als pandhouder zou hebben gedaan, wat ook kan zien op de uitoefening van pandrechten die door Rabobank in de werkelijke situatie zijn prijsgegeven en (dus) niet beperkt is tot slechts Rabobanks ‘positie als pandhouder op grond van art. 3:278 BW Pro dan wel art. 57 Fw Pro’, te meer niet in de zin van “de pandrechten die Rabobank” in de werkelijke situatie “heeft”. Dit betekent dan ook dat het hof in rov. 5.9 geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door, kort gezegd:
ING/Gunning q.q.-arrest van de Hoge Raad (over de vraag of een uitzondering moet worden aanvaard op de (strenge) regel voor verrekening in art. 54 Fw Pro) voortvloeit dat (ook) bij het maken van de situationele vergelijking inzake het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro geen rekening dient te worden gehouden met wat hier Rabobank in de hypothetische situatie zonder de gewraakte rechtshandeling als pandhouder zou hebben gedaan (anders dan het hof dus oordeelt in rov. 5.9 in verbinding met rov. 5.7), [81] geldt dat ook deze klacht faalt. [82] Het oordeel van het hof in rov. 5.9 dat, kort gezegd, de vraag of een uitzondering moet worden gemaakt op de (strenge) regel van art. 54 Fw Pro, zoals aan de orde was in het
ING/Gunning q.q.-arrest van de Hoge Raad, (uiteindelijk) van een andere orde is en een andere materiële beoordeling vergt dan de thans voorliggende vraag of sprake is van benadeling van schuldeisers in de zin van art. 42 Fw Pro, wat door het maken van de situationele vergelijking zoals bedoeld in rov. 5.5 van het hof dient te worden onderzocht (en waaraan het hof nader invulling geeft in rov. 5.9 in verbinding met rov. 5.7), geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [83] Ik laat ter toelichting Steneker aan het woord, in zijn annotatie onder het thans bestreden arrest: [84]
nietworden meegewogen dat de bank, alvorens te verrekenen, haar pand- of hypotheekrechten heeft vrijgegeven. De vergelijking dat de bank, in plaats van te verrekenen, ook die pand- of hypotheekrechten
had kunnen uitwinnen, is niet relevant. Vgl. HR 19 november 2004, «JOR» 2005/19, m.nt. Steneker (
ING/Gunning q.q.). Voor de vraag of een transactie paulianeus is, meer in het bijzonder of er sprake is van benadeling,
moetjuist een hypothetische vergelijking worden gemaakt tussen de staat waarin de boedel
zou hebbenverkeerd zonder de gewraakte transactie en de staat waarin de boedel nu feitelijk verkeert (HR 19 oktober 2001, «JOR» 2001/269, m.nt. NEDF (
[…] /Gilhuis q.q.)). Van belang is dan dat het gehele samenhangende samenstel van rechtshandelingen onderwerp dient te zijn van die hypothetische vergelijking, en niet bijvoorbeeld alleen de vestiging van het pandrecht, de betaling of de verrekening
sec.Vgl. 19 december 2008, «JOR» 2009/172 (
Air Holland). Verrekening van een koopprijs na vrijgave van zekerheden kan dus heel goed wél in strijd zijn met art. 54 Fw Pro, terwijl het afdwingen van rechtstreekse betaling of de vestiging van een pandrecht op de koopprijsvordering om dit art. 54 Fw Pro-probleem te voorkomen, niet paulianeus is.
Het hof laat in r.o. 5.9 mooi zien dat wat de bank zonder de gewraakte rechtshandelinghad kunnendoen,nietmoet worden meegewogen bij de toetsing van een verrekening aan art. 54 Fw Pro (waar ING/Gunning q.q. over ging), maarwelbij de toetsing van een samenhangend samenstel van rechtshandelingen aan art. 42 Fw Pro.Omdat de bank vrijgave van haar pandrechten heeft gegeven onder de uitdrukkelijke voorwaarde van het sluiten van de financieringsovereenkomst, moet voor de vraag of die financieringsovereenkomst benadelend is geweest, een hypothetische vergelijking worden gemaakt tussen de huidige situatie en de situatie zoals die was geweest als de financieringsovereenkomst niet was gesloten, maar de bank nog steeds pandhouder was geweest. Die vergelijking levert waarschijnlijk eerder bevoordeling dan benadeling op, omdat de bedrijfsactiviteiten nu onderhands en niet executoriaal zijn verkocht.” [cursivering in origineel, onderstreping toegevoegd, A-G]
onderdeel 1(zie
nrs. 1.1-1.4), tegen de uitleg die het hof in rov. 5.10, eerste en derde zin heeft gegeven aan de grief van de curator inzake het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro alsmede tegen de verwerping door het hof in rov. 5.9 van het principiële betoog van de curator in de grief inzake het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro, dienen te falen. Zie onder 3.11-3.19 hiervoor.
onderdeel 2(dat, zoals vermeld, met name klachten bevat tegen de door het hof in rov. 5.10 voor juist aangenomen overwegingen van de rechtbank in rov. 4.6 van het eindvonnis, zoals samengevat weergegeven in rov. 5.10, tweede zin onder (iii) en (iv); zie
nrs. 2.1-2.2,
2.5-2.8en
2.10-2.14) geen nadere bespreking, [86] behoudens het volgende.
nrs. 2.3-2.4) nog klachten moeten worden gelezen met de strekking dat het hof in rov. 5.9 en 5.10 heeft miskend dat de verkoop en levering van de activa aan koper Kort geen deel uitmaken van het bij de situationele vergelijking inzake het benadelingvereiste van art. 42 Fw Pro (zoals bedoeld in rov. 5.5 van het hof) in aanmerking te nemen samenstel van (rechts)handelingen, geldt dat deze klachten uitgaan van een onjuiste lezing van het arrest (specifiek rov. 5.9-5.10) en daarmee feitelijke grondslag missen. In rov. 5.9 overweegt het hof dat bij het maken van de bedoelde vergelijking van belang is dat (i) het prijsgeven van de pandrechten en (ii) de aanpassing van de kredietovereenkomst niet op zichzelf staande rechtshandelingen zijn, maar deel uitmaken van een samenstel van (rechts)handelingen, waartoe tevens behoort (iii) de instemming met de verkoop van de activa aan Kort. Daarin lees ik niet dat het hof van oordeel is dat óók de verkoop en levering van de activa
zelfdeel uitmaken van dat samenstel. In rov. 5.10 lees ik dat evenmin.
nr. 2.9) nog een (afzonderlijke) motiveringsklacht moet worden gelezen tegen rov. 5.10, eerste en derde zin van het hof, geldt, als gezegd, dat ook deze klacht dient te falen in het voetspoor van onderdeel 1. Ik verwijs daarvoor terug naar 3.13 hiervoor.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep