ECLI:NL:HR:2006:AU5684
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Overgang recht op immateriële schadevergoeding na overlijden patiënt en mededelingsvereiste advocaat
De zaak betreft een geschil tussen de advocaat van een overleden patiënt en de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis over de overgang van het recht op vergoeding van immateriële schade (smartengeld) op de erven van de patiënt. De advocaat had namens de patiënt een brief gestuurd waarin het ziekenhuis aansprakelijk werd gesteld voor schade na een hersenoperatie, waarna de patiënt overleed.
De verzekeraar stelde dat het recht op smartengeld niet was overgegaan omdat de brief niet voldeed aan het vereiste van een mededeling als bedoeld in art. 6:106 lid 2 BW Pro, en dat het nalaten hiervan een beroepsfout van de advocaat was. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vordering van de verzekeraar toe.
De Hoge Raad oordeelde dat het recht op vergoeding van immateriële schade een hoogstpersoonlijk recht is dat door de benadeelde zelf moet worden medegedeeld. Het hof had geoordeeld dat de brief van de advocaat niet duidelijk maakte dat de patiënt aanspraak maakte op immateriële schadevergoeding, maar de Hoge Raad vond dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het ziekenhuis de brief niet als zodanig hoefde te begrijpen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling terug naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de verzekeraar in de proceskosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het gerechtshof.