Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2002:AF0636

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36864
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof en vermindert naheffingsaanslag omzetbelasting

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1 januari 1993 tot en met 31 december 1994 ter hoogte van ƒ 294.080. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Arnhem, dat de aanslag verminderde tot ƒ 277.917.

De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof buiten de rechtsstrijd was getreden door niet alleen te beoordelen of het nultarief op leveringen van toepassing was, maar ook door het nageheven bedrag zelf te berekenen en te verminderen.

Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat het bedrag van de naheffingsaanslag onjuist was berekend omdat het Hof niet was uitgegaan van bedragen inclusief omzetbelasting. De aanslag werd daarom verminderd tot ƒ 250.286. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en vernietigde het arrest van het Hof en de uitspraak van de Inspecteur, behoudens het griffierecht.

Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting wordt verminderd tot ƒ 250.286 en het arrest van het Hof wordt vernietigd.

Uitspraak

Nr. 36.864
15 november 2002
WHK
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 december 2000, nr. 98/03992, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1994 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 294.080, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een berekend naar een bedrag van ƒ 277.917. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve
3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden door het bedrag van de door belanghebbende ten onrechte niet afgedragen omzetbelasting te berekenen op ƒ 277.917 en de naheffingsaanslag dienovereenkomstig te verminderen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat tussen partijen slechts in geschil was of ter zake van door belanghebbende in het tijdvak van 1 januari 1993 tot en met 31 december 1994 verrichte leveringen al dan niet het nultarief diende te worden toegepast. Het Hof is derhalve inderdaad buiten de rechtsstrijd getreden door, na te hebben geoordeeld dat dit tarief niet kon worden toegepast, tevens een oordeel te geven over de samenstelling van het nageheven bedrag.
3.2. Het bedrag van de naheffingsaanslag is echter niet juist berekend, daar uitgegaan had dienen te worden van bedragen inclusief omzetbelasting. De naheffingsaanslag moet derhalve worden verminderd tot ƒ 250.286 (17,5/117,5 x (ƒ 1.588.107,10 + ƒ 92.388)).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,
vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
vermindert de naheffingsaanslag tot een aanslag ten bedrage van ƒ 250.286.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2002.