Conclusie
1.Overzicht
evergreensvan feitenvaststelling, omvang van het geschil en motiveringsplicht, terwijl ook enige materieel-rechtskundige vragen rijzen, al zullen die laatste dus voor premiejaren na 1 januari 2020 niet meer van belang zijn.
enkelvoudigeondernemingen (HR
BNB2009/231): de aard van de werkzaamheden en de functie die de onderneming in het maatschappelijk verkeer vervult. Het Hof noemt alleen
lid 1van art. 96 Wfsv Pro (enkelvoudige ondernemingen), betrekt in zijn oordeel de aard van de werkzaamheden van belanghebbendes personeel en de functie van haar bezigheden in het maatschappelijk verkeer, en kwalificeert de belanghebbende als een grootwinkelbedrijf dat grootschalig in concernverband met vele vestigingen over het land verspreid een ‘homogeen product’ voert.
samengesteldeonderneming gaat (anders hoeft de loonsom immers niet te worden toegerekend aan verschillende sectoren). Deze overweging suggereert dat hij het voor een samengestelde onderneming geldende indelingscriterium (
lid 2van art. 96 Wfsv Pro: grootste deel van de loonsom) te lastig vindt. Dat een wettelijke maatstaf in sommige gevallen mogelijk bewerkelijke toerekening vergt, is echter geen rechtsgrond om die maatstaf te negeren.
Alshij – tegen het eenstemmige en mijns inziens feitelijke oordeel van de partijen in - uitgaat van een enkelvoudige onderneming, hetgeen hij suggereert met niet op de wet gebaseerde vage termen als ‘homogeen product’ en ‘multi-inzetbaar en flexibel personeelsbestand’, dan is in het licht van de feiten zonder nadere motivering niet begrijpelijk waaróm hij de nogal uiteenlopende werkzaamheden en markten van de belanghebbende slechts als ‘niet van andere grootwinkelbedrijven te onderscheiden’ grootwinkelbedrijf kwalificeert. Voor zover het Hof er iets over zegt, lijkt het innerlijk tegenstrijdig, nu een ‘homogeen product’ denkelijk niet leidt tot een grote ‘diversiteit in het takenpakket’ van belanghebbendes personeel, die ‘multi-inzetbaarheid en flexibiliteit’ vergen. Nu de belanghebbende zorghulpmiddelen zowel verkoopt als verhuurt als uitleent, zowel aan particuliere patiënten als aan zorgverzekeraars, ziekenhuizen en andere zakelijke zorgaanbieders, zowel via distributiecentra als via winkels, zowel fysiek als via het web, lijkt mij de overigens ongemotiveerde en vage kwalificatie ‘homogeen product’ niet begrijpelijk.
hoedie differentiatie moest geschieden en tot welke sectorindeling zij zou leiden. Mijns inziens heeft het Hof ook art. 8:69 Awb Pro geschonden door het geschil van de partijen naar eigen inzicht te wijzigen.
3.Het geding in cassatie
verweerbij nader inzien, anders dan zij in feitelijke instantie stelde, dat zij geen samengestelde onderneming is. Zij meent bij nader inzien dat als een onderneming op basis van art. 96(1) Wfsv (enkelvoudige onderneming) kan worden ingedeeld, zij haars inziens niet samengesteld is en het Hof niet-toepassing van art. 96(2) Wfsv (samengestelde onderneming) dus niet hoeft te motiveren. Het Hof heeft dat overigens indirect wel gedaan door te oordelen dat differentiaties in sectoren en premieloonsommen in casu gekunsteld zouden zijn. Het Hof hoefde zich, gegeven de indeling op basis van art. 96(1) Wfsv, niet uit te laten over de punten b en c van de Staatssecretaris. Ad punt (d) betoogt zij dat zij vanaf haar oprichting in sector 19 ingedeeld had moeten worden, maar dat zij in verband met verjaring heeft verzocht om indeling per 1 januari 2012, hetgeen voor het Hof aanleiding was om die datum te nemen.
BNB2018/102 (loonsomtoerekening op basis van omzet) geen met haar vergelijkbaar geval betrof. De Inspecteur is voorbij gegaan aan de passage “in bepaalde gevallen zullen de omzetten als basis kunnen dienen’’ in de SVR-Circulaire. De belanghebbende meent met het Hof dat een zuivere loonsomverdeling over sectoren niet mogelijk is. Art. 5.8a Regeling Wfsv stelt weliswaar aanvullende voorwaarden die de migratie tussen de sectoren 17 en 19 regelen (zoals een driejaarstermijn), maar belanghebbendes premieplichtige loonsom is vanaf oprichting structureel hoger geweest dan de drempel voor toegang tot sector 19. Onduidelijk acht zij waarom de fiscus slechts een deel van de totale premieplichtige loonsom bij de toets aan die drempel wil meetellen.
4.Sectorindeling voor de premieheffing werknemersverzekeringen
Achtergrond, regelgeving en beleid
BNB2015/88 [3] , HR
BNB2017/43 [4] en HR
BNB2019/155 [5] is de tot 2020 bestaande financiering van de werknemersverzekering als volgt beschreven:
17. Detailhandel en ambachten, omvattende:
19.Grootwinkelbedrijf
45.Zakelijke Dienstverlening III, omvattende:
enkelvoudigeonderneming opereert volgens de SVR in het maatschappelijke leven als eenheid en uitsluitend of overwegend in één bepaalde functie, bijvoorbeeld een metaalbedrijf, maar dat hoeft geenszins te betekenen dat zij slechts één soort werkzaamheden doet verrichten. Een
samengesteldeonderneming is volgens de SVR een onderneming met twee of meer afzonderlijke bedrijfsonderdelen, die als zodanig, dus elk afzonderlijk, i.e. met een eigen functie in het maatschappelijk leven optreden; dus elk voor de markt (niet slechts intern) werkzaam zijn, bijvoorbeeld een handelsonderneming met reparatieafdeling voor eigen machines die echter ook de markt op gaat vanuit een bedrijfsonderdeel dat machines van derden repareert. Die circulaire vermeldt:
BNB2009/231 [24] volgt dat sectoraansluiting ex art. 96(1) Wfsv (enkelvoudige ondernemingen) geschiedt, zoals de SVR al in 1955 uitdroeg (zie 4.8 hierboven), op basis van (i) de aard van de verrichte werkzaamheden en (ii) de functie die de (onderneming van de) werkgever in het maatschappelijke verkeer vervult. De zaak betrof een onderneming die gevels voor woningen, flatgebouwen, kantoren en vergelijkbare bouwwerken tegen
all inprijs leverde. Behalve acquisitie en projectcalculatie besteedde de belanghebbende alle werkzaamheden uit, maar alleen zij factureerde de opdrachtgever en alleen zij was verantwoordelijk jegens de opdrachtgever. Zij was een enkelvoudige onderneming, zodat art. 96(1) Wfsv van toepassing was. De fiscus had haar ingedeeld in de sector Bouwbedrijf maar zij verlangde indeling in sector 41, Groothandel I, of 42, Groothandel II. U oordeelde:
Stb.790) per 1 januari 1995. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die wet blijkt niet dat de wetgever met de toevoeging een inhoudelijke wijziging heeft willen aanbrengen in de bestaande indelingspraktijk.
BNB2018/102 [25] betrof een BV die zowel hoveniers- en bouwwerkzaamheden verrichtte, de eerste hoofdzakelijk met eigen werknemers; de laatste vooral door de dga en, via onderaanneming, met arbeidskrachten van derden. De belanghebbende betaalde aan de dga en de arbeidskrachten van derden geen loon. De fiscus wilde aansluiting bij de sector bouw omdat hij het loon van de werknemers van de ingehuurde derden meetelde; de belanghebbende wilde indeling bij de sector hoveniers. U oordeelde dat weliswaar bij de indeling van
enkelvoudigeondernemingen (
lid 1van art. 96 Wfsv Pro) ook loon betaald door derden van belang kan zijn, maar dat dat anders is bij de vraag in welke sector de hoogste loonsom wordt betaald door een
samengesteldeonderneming voor de toepassing van
lid 2van art. 96 Wfsv Pro, op basis waarvan samengestelde ondernemingen worden ingedeeld. Bij die bepaling telt alleen het loon mee waarvoor de werkgever zelf premieplichtig is:
BNB2018/109 [26] oordeelde u dat het Hof ten onrechte de indelingscriteria in de in 4.11 hierboven genoemde SVR-circulaire van 3 december 1992 (Indeling van cultuurtechnische en civieltechnische bedrijven) buiten beschouwing had gelaten. De belanghebbende deed onder meer werkzaamheden verrichten in de sectoren 1 (Agrarisch bedrijf) en 3 (Bouwbedrijf) en wilde ingedeeld worden in sector 1. De Inspecteur wilde haar ex art. 96(2) Wfsv indelen in sector 3 omdat 81,13% van haar omzet was toe te rekenen aan civieltechnische grondwerkzaamheden. De inspecteur had de verdeling van de werkzaamheden over de twee sectoren gebaseerd op de genoemde SVR-circulaire. U oordeelde over het gebruik daarvan:
Stcrt.2005, 242; hierna: de toelichting) vermeldt onder het kopje ‘Bijlage 1’ dat in het kader van de overheveling van de premieheffing naar de Belastingdienst, ook de uitvoering van de sectorindeling van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overgaat naar de Belastingdienst, dat in verband daarmee het indelingsbeleid van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen per 1 januari 2006 is komen te vervallen en dat dit beleid daarom, voor zover nodig, is opgenomen in die toelichting. In de toelichting is niet alleen verwezen naar de circulaire, maar is ook de inhoud van de in de circulaire opgenomen beleidsregels weergegeven.
5.De motiveringsplicht van de rechter
BNB2009/74 [27] merkte mijn voormalig ambtgenoot Van Ballegooijen van ambtswege het volgende op:
BNB2018/124 [29] oordeelde u dat het Hof Den Haag onvoldoende inzicht had gegeven in de redenen voor zijn oordeel. De belanghebbende was een handelsonderneming in personenauto’s in een fiscale eenheid voor de omzetbelasting die onder meer twee werkmaatschappijen omvatte. De Inspecteur meende dat de werkmaatschappijen meededen aan een BTW-fraude, dan wel wisten of moesten weten dat de transacties waarbij zij betrokken waren onderdeel waren van een keten waarin btw-fraude werd gepleegd in de schakels voorafgaand aan de leveringen aan de werkmaatschappijen. Het Hof onderschreef de beslissing van de Rechtbank en achtte voldoende dier onderbouwing, inhoudende dat in rechte was vast komen te staan dat belanghebbende wist dat de transacties onderdeel waren van een frauduleus opgezette keten. Het Hof oordeelde daarom dat de belanghebbende geen recht had op aftrek van input-BTW. U oordeelde:
6.De omvang van de rechtsstrijd
BNB2003/50 biedt een voorbeeld van buiten de rechtsstrijd van de partijen treden door de belastingrechter, die alsdan dus iets anders beslist dan hetgeen waarover zij strijden. De zaak betrof een naheffingsaanslag omzetbelasting. In geschil was of voor belanghebbendes leveringen van vuurwerk het nultarief gold. Hoewel daarover geen geschil bestond, had het Hof ook de naheffingsaanslag herrekend. U achtte dat ontoelaatbaar: [39]
auteurs) nader uit te laten’. [42]
Meyjes e.a.dat de rechter zich moet beperken tot het door de partijen bepaalde geschil: [43]
Meyjes e.a.: [46]
7.Beoordeling van het cassatieberoep
BNB2018/109 leert dat die circulaire ook na overheveling van de premieheffing naar de Belastingdienst relevant is gebleven voor de sectorindeling (zie 4.16 hierboven). HR
BNB2018/102 leert dat art. 96(1) Wfsv niet uitsluit dat een werkgever die verschillende soorten werkzaamheden doet verrichten, in verschillende sectoren wordt ingedeeld (zie 4.15 hierboven).
BNB2009/231 (zie 4.14 hierboven) voor sectoraansluiting van een
enkelvoudigeonderneming toe te passen: de aard van de verrichte werkzaamheden en de functie die de onderneming van de werkgever in het maatschappelijk verkeer vervult. Het Hof noemt immers alleen lid 1 van art. 96 Wfsv Pro, betrekt in zijn oordeel de aard van de werkzaamheden van belanghebbendes personeel en de functie die haar bezigheden in het maatschappelijk verkeer vervullen, en kwalificeert haar als een grootwinkelbedrijf dat grootschalig in concernverband met vele vestigingen over het land verspreid een ‘homogeen product’ voert en in niets te onderscheiden is van andere naar maatschappelijke opvattingen als grootwinkelbedrijf te duiden ondernemingen.
in haar geheel(dus ook voor de sector 42 en 45 werkzaamheden) kon migreren naar sector 19 (grootwinkelbedrijf).
enkelvoudigeonderneming in de zin van art. 96(1) Wfsv, maar alleen over de toerekening van de premieplichtige loonsom aan de drie sectoren 17, 42 en 45 bij de indeling van een
samengesteldeonderneming in de zin van art. 96(2) Wfsv, en over de bepaling van de sector-19-drempel als het vervolgens zou blijken te kunnen gaan om een keuze tussen sector 17 en sector 19.
samengesteldeonderneming gaat (want anders hoeft er niet toegerekend te worden), maar dat hij het alsdan toepasselijke indelingscriterium (
lid 2van art. 96 Wfsv Pro: in welke sector valt de grootste loonsom?) te lasting vindt om toe te passen. Dat een wettelijke maatstaf in sommige gevallen mogelijk bewerkelijke toerekening vergt, is echter geen rechtsgrond om die maatstaf te negeren.
lid 2van art. 96 Wfsv Pro, te verplaatsen naar
lid 1van art. 96 Wfsv Pro. Daargelaten dat die wijziging van het geschil niet aan het Hof is, nu de partijen bepalen waarover zij strijden, is ook de mogelijk beoogde vermijding van de volgens het Hof kennelijk arbitraire en bewerkelijke loonsomtoerekening niet begrijpelijk zonder motivering, nu zowel de belanghebbende als de Inspecteur de werkzaamheden van belanghebbendes personeel al in een overzicht in de drie relevante sectoren hadden ingedeeld en volgens de rechtspraak (zie 4.13 hierboven) zelfs een indeling naar omzet aanvaardbaar is als een nauwkeuriger loonsomtoerekening aan sectoren op basis van werkzaamheden niet doenlijk is.
Alshij – tegen het eenstemmige en mijns inziens feitelijke oordeel van de partijen in - uitgaat van een enkelvoudige onderneming, hetgeen hij suggereert met een niet op de wet of rechtspraak gebaseerde term als ‘homogeen product’, dan is in het licht van de feiten zonder nadere motivering niet begrijpelijk waaróm hij de nogal uiteenlopende werkzaamheden en markten van de belanghebbende slechts als ‘niet van andere grootwinkelbedrijven te onderscheiden’ grootwinkelbedrijf kwalificeert. Voor zover het Hof er iets over zegt, lijkt het innerlijk tegenstrijdig, nu een ‘homogeen product’ denkelijk niet leidt tot een grote ‘diversiteit in het takenpakket’, noch een ‘multi-inzetbaar en flexibel [52] personeeldsbestand’ vergt. Nu de belanghebbende zorghulpmiddelen zowel verkoopt als verhuurt als uitleent, zowel aan particuliere patiënten als aan zorgverzekeraars, ziekenhuizen en andere zakelijke zorgaanbieders, zowel via distributiecentra als via winkels, zowel fysiek als via het web, lijkt mij ook deze overigens ongemotiveerde en vage kwalificatie ‘homogeen product’ niet begrijpelijk, nog daargelaten dat de verhouding onopgehelderd blijft tussen dat criterium en het relevante criterium: de functie die de onderneming in het maatschappelijk
verkeervervult (dus niet naar maatschappelijke
opvatting, zoals het Hof meent). De door het Hof ook nogal summier vastgestelde feiten wijzen op meer bedrijfsonderdelen die uiteenlopende afnemers op uiteenlopende markten bedienen. Dit alles klemt te meer nu het Hof de eerste en enige feitelijke instantie was (zie 4.12 hierboven), die de feiten dus consciëntieus had moeten onderzoeken en vaststellen.
BNB2003/50 (zie 6.2 hierboven) lijkt het Hof, gezien het bovenstaande, een oordeel gegeven te hebben over twee punten die niet in geschil waren, nl. dat (i) de belanghebbende een samengestelde onderneming is en (ii) de voor hoogste loonsombepaling vereiste ‘differentiaties in sectoren en premieloonsommen’ wel degelijk mogelijk zijn. Het enige dat in geschil was, was
hoedie differentiatie moest geschieden en tot welke indeling zij zou leiden. Mijns inziens heeft het Hof ook art. 8:69 Awb Pro geschonden door de rechtsstrijd van de partijen naar eigen inzicht te wijzigen.