ECLI:NL:HR:2002:AF2255

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37540
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • C.B. Bavinck
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet op de loonbelasting 1964Art. 11 Wet op de loonbelasting 1964Art. 2 lid 1 Wet op de loonbelasting 1964Art. 32 lid 1 onder 5° Successiewet 1956
Verwijzingen
6 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Slotuitkering pensioenrekening belast als loon uit vroegere dienstbetrekking

Belanghebbende kreeg over januari 2000 een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd, die na bezwaar en beroep bij het Hof werd gehandhaafd. Het geschil betrof de fiscale kwalificatie van een slotuitkering aan de erfgenamen van een deelnemer aan een pensioenregeling. Volgens het Hof was deze slotuitkering loon uit vroegere dienstbetrekking en dus belast.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de slotuitkering niet als loon moest worden aangemerkt en dat het successierecht als aftrekpost kon gelden. De Hoge Raad verwierp deze middelen. Het Hof had terecht geoordeeld dat de slotuitkering voortkomt uit een pensioenregeling en daarom onder de loonbelasting valt. De stelling over aftrekbaarheid van successierecht werd niet behandeld door het Hof en kon niet als middel gelden.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe. Hiermee is bevestigd dat slotuitkeringen aan erfgenamen uit pensioenregelingen fiscaal als loon worden aangemerkt, ook als deze niet direct ter verzorging van begunstigden zijn bedoeld.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de slotuitkering als loon uit vroegere dienstbetrekking belast is.

Uitspraak

Nr. 37.540
20 december 2002
S
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s-Gravenhage van 26 juli 2001, nr. BK-00.3164, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak januari 2000 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van f 385.824, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
A (hierna: erflater) was met zijn werkgeefster een pensioenregeling in de zin van artikel 11 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) overeengekomen. De uitvoering van deze pensioenregeling was opgedragen aan belanghebbende.
Op grond van het pensioenreglement wordt voor iedere deelnemer een zogenoemde pensioenrekening bijgehouden. Op deze rekening worden de stortingen en onttrekkingen alsmede de resultaten van de beleggingen van het vermogen dat op de pensioenrekening wordt verantwoord, bijgehouden. Nadat alle aanspraken op ouderdoms-, weduwen- of wezenpensioen zijn geëindigd, wordt een eventueel saldo van de pensioenrekening aan de erfgenamen van de deelnemer uitgekeerd (een zogenoemde slotuitkering).
Aan de erfgenaam van erflater is een slotuitkering betaald ten bedrage van f 643.040.
3.2. Tussen partijen is in geschil of voornoemde slotuitkering bij de erfgenaam als loon uit vroegere dienstbetrekking kan worden aangemerkt en als zodanig aan de heffing van loonbelasting is onderworpen.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de slotuitkering waartoe belanghebbende op grond van de pensioenregeling jegens de erfgenaam verplicht was, als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking van een ander in de zin van artikel 10 samen Pro met artikel 2, lid 1, van de Wet moet worden aangemerkt. Dit oordeel is juist. De slotuitkering berustte immers op een pensioenregeling als bedoeld in artikel 11 van Pro de Wet. De omstandigheid dat de verkrijging van een aanspraak op een dergelijke slotuitkering, die niet strekt ter verzorging van degenen voor wie de pensioenregeling is getroffen, niet kan worden aangemerkt als een verkrijging op grond van een pensioenregeling in de zin van artikel 32, lid 1, onder 5°, van de Successiewet 1956 (HR 4 maart 1992, 27981, BNB 1992/167), noopt niet tot een ander oordeel. Het eerste middel faalt derhalve.
3.4. Het tweede middel berust op een verkeerde lezing van ´s Hofs uitspraak. Blijkens de aan het Hof overgelegde pleitnota heeft belanghebbende laten weten dat haar stelling dat het successierecht dat over de slotuitkering is verschuldigd, voor de heffing van loonbelasting als aftrekbare kosten kan worden aangemerkt, geen behandeling meer behoefde. Het Hof heeft over deze stelling dan ook geen oordeel gegeven. Het middel, waarin aan het Hof wordt verweten dat het deze stelling ten onrechte heeft verworpen, faalt derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2002.