ECLI:NL:HR:2003:AF3410
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot inbreng van schenkingen in nalatenschap bij verdeling landbouwpercelen
De zaak betreft de verdeling van de nalatenschap van een overleden vader, waarbij geschil bestaat over de inbreng van schenkingen en de waardering daarvan. De vader had landbouwpercelen uit de nalatenschap van zijn overleden echtgenote onder zijn kinderen verdeeld, waarbij sommige percelen tegen een lagere prijs aan twee kinderen werden verkocht dan de waarde die in de successieaangifte was opgenomen.
De Rechtbank had bepaald dat deze prijsverschillen als bevoordelingen uit vrijgevigheid moesten worden ingebracht in de nalatenschap. Het Hof Den Haag vernietigde dit oordeel gedeeltelijk en stelde de inbrengverplichting van een van de kinderen lager vast, mede vanwege een verpachting voorafgaand aan de verkoop.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had bij de waardering van de bevoordeling. Volgens de Hoge Raad moet bij de hoogte van de inbreng worden uitgegaan van een geobjectiveerd schenkingsbegrip en de werkelijke waarde van de grond in onverpachte staat. Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens verklaart de Hoge Raad de eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen verweerster 2.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof Den Haag over inbrengverplichting en verwijst zaak naar Hof Amsterdam; eiser niet-ontvankelijk jegens verweerster 2.