ECLI:NL:HR:2003:AF6589
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij was veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, waarvan één maand voorwaardelijk, wegens poging tot diefstal met braak.
Het middel van cassatie betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, zowel in de fase tussen het verstekarrest en de betekening daarvan aan verdachte als in de cassatiefase. De Hoge Raad constateerde dat de vertraging deels aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen was, met name na de detentie van verdachte en het ontbreken van voortvarende opsporingsmaatregelen.
Hoewel de verdachte gedurende een periode niet was ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, had het OM binnen vier maanden na het arrest een verzoek tot opname in het opsporingsregister gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden en dat dit aanleiding gaf tot strafvermindering.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf tot twee maanden en twee weken, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee maanden en twee weken, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.