ECLI:NL:HR:2003:AF6609

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/081HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling bijdrage kosten verzorging en opvoeding bij co-ouderschap

De moeder verzocht de rechtbank om de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van hun twee minderjarige kinderen vast te stellen op ƒ 375 per kind per maand vanaf 1 januari 2000. De rechtbank wees dit verzoek toe, maar de vader ging in hoger beroep. Het Hof Amsterdam bevestigde de beschikking van de rechtbank. De vader stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad constateerde dat het Hof bij de beoordeling was uitgegaan van een verdeling van de kosten in een verhouding 2:1 tussen moeder en vader, gebaseerd op een door de vader gestelde maar door de moeder betwiste afspraak. Het Hof had echter onvoldoende rekening gehouden met de kosten die de vader maakt in zijn rol als mede-verzorgende ouder, terwijl de kinderen feitelijk de zorg gelijkelijk tussen ouders delen.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat het Hof onduidelijkheid had laten bestaan over de feitelijke zorgverdeling en dat het Hof niet had meegenomen dat de moeder de kinderbijslag ontvangt, waardoor bepaalde kosten door die kinderbijslag worden gedekt. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof Amsterdam en verwees de zaak naar het Hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitspraak

5 september 2003
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/081HR
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vader], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. K.T.B. Salomons,
t e g e n
[de moeder], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 11 augustus 2001 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de uit de relatie van de moeder met verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - op respectievelijk 13 juni 1994 en 15 september 1997 geboren minderjarigen [kind 1] en [kind 2] ten laste van de vader met ingang van 1 januari 2000 vast te stellen op ƒ 375,-- per kind per maand.
De vader heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2001 het verzoek van de moeder met ingang van 1 februari 2000 toegewezen en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 1 augustus 2002 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
(i) Partijen hebben gedurende ongeveer vijftien jaar een relatie gehad. Uit die relatie zijn op 13 juni 1994 respectievelijk 15 september 1997 [kind 1] en [kind 2] geboren. In november 1999 zijn partijen uit elkaar gegaan.
(ii) Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit.
(iii) Partijen delen de zorg voor de kinderen. Gedurende de ene helft van de week verblijven de kinderen bij de moeder, gedurende de andere helft van de week bij de vader.
3.2 De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen tot het betalen van een maandelijkse bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van ƒ 375,-- per kind. De Rechtbank heeft deze bijdrage op dit bedrag bepaald. Het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
3.3 Onderdeel III.4 is gericht tegen de vaststelling van het Hof met betrekking tot de vader (in rov. 2.3) dat "(h)ij is geboren op [geboortedatum] 1958 en alleenstaand" en met betrekking tot de moeder (in rov. 2.4) dat "(z)ij is geboren op [geboortedatum] 1963 en (...) een éénouder-gezin met de kinderen (vormt)" en klaagt dat de feiten die het Hof aldus aan zijn beschikking ten grondslag heeft gelegd, niet verenigbaar zijn met rov. 3.4, waarin het hof juist uitdrukkelijk ervan uitgaat dat partijen feitelijk de zorg voor de kinderen delen. De vaststelling is inderdaad onbegrijpelijk, nu beide ouders in gelijke mate met de zorg voor de kinderen zijn belast.
3.4 Voorzover onderdeel I veronderstelt dat het Hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de vader in het kader van het co-ouderschap reeds de helft van de kosten van verzorging en opvoeding voor zijn rekening neemt, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat het Hof daaromtrent niets heeft vastgesteld.
Voorzover onderdeel I ertoe strekt te betogen dat niet duidelijk is of en hoe het Hof met de aan het verblijf van de kinderen bij de vader verbonden kosten rekening heeft gehouden, geldt het volgende. Het Hof heeft in rov. 3.2 de vraag behandeld met welk bedrag partijen gezamenlijk in de kosten van de kinderen moeten bijdragen (het zogeheten "eigen aandeel in de kosten van de kinderen") en is daarbij veronderstellenderwijze ervan uitgegaan dat - volgens een door de vader gestelde doch door de moeder betwiste afspraak - de vader en de moeder het "eigen aandeel" van de ouders in een verhouding van 2:1 dienen te dragen. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de door de Rechtbank aan de vader opgelegde bijdrage, die ongeveer 2/3 van het gezamenlijk "eigen aandeel" bedraagt, "redelijk" in overeenstemming met bedoelde afspraak is. Door aldus de (mogelijk) door partijen beoogde verdeling direct in een als bijdrage door de vader te betalen evenredig deel van het gezamenlijke "eigen aandeel" te vertalen, heeft het Hof miskend dat (ook) acht dient te worden geslagen op de kosten van verzorging en opvoeding waarmee de vader in zijn rol van (mede-)verzorgende ouder wordt geconfronteerd. De desbetreffende klacht van onderdeel I slaagt derhalve.
3.5 Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 17 juni 2002 blijkt dat tussen partijen vaststaat dat de moeder de kinderbijslag voor beide kinderen ontvangt. In de bestreden beschikking wordt hiervan in het geheel geen melding gemaakt. De door de ouder - in dit geval: de moeder - in het kader van het co-ouderschap gemaakte kosten van verzorging en opvoeding moeten echter buiten beschouwing blijven, voor zover zij uit de ontvangen kinderbijslag kunnen worden bestreden. Onderdeel II.2 klaagt terecht dat uit de beschikking niet blijkt dat het Hof hiermee rekening heeft gehouden.
3.6 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 augustus 2002;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 5 september 2003.