ECLI:NL:PHR:2004:AO5056
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling minderjarige voor invoer cocaïne ondanks beperkte intellectuele capaciteiten
De zaak betreft een minderjarige verdachte die werd veroordeeld voor het opzettelijk binnenbrengen van ongeveer 4.097,4 gram cocaïne op Schiphol. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de verdachte zelf, verklaringen van douaneambtenaren en forensisch onderzoek dat de substantie als cocaïne bevestigde.
De verdachte verklaarde dat hij de koffer, gekocht en ingepakt door zijn moeder, had gedragen zonder te weten dat deze cocaïne bevatte. Het hof oordeelde echter dat hij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat de koffer drugs bevatte vanwege het uitzonderlijke gewicht en de abnormaal dikke wanden, en dat hij naliet dit te onderzoeken of zijn ouders hierover in te lichten.
De verdediging voerde afwezigheid van alle schuld aan, wijzend op de zwakbegaafdheid van de verdachte en het feit dat hij niet wist van de cocaïne. Dit werd door het hof verworpen. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof, oordeelde dat het pedagogisch belang van verschijning van de minderjarige niet meer speelde omdat de verdachte inmiddels meerderjarig was, en verwierp de cassatiegronden. De veroordeling tot twaalf maanden jeugddetentie, waarvan drie voorwaardelijk, bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte tot twaalf maanden jeugddetentie wegens opzettelijke invoer van cocaïne.