ECLI:NL:HR:2004:AN9177
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Bewijs en opzet bij het opzettelijk in hulpeloze toestand laten van stiefdochter
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin hij werd vrijgesproken van mishandeling maar veroordeeld voor het opzettelijk in een hulpeloze toestand laten van zijn stiefdochter, een misdrijf als bedoeld in artikel 255 Sr Pro.
Het hof had vastgesteld dat verdachte wist dat zijn stiefdochter kort daarvoor ernstig was mishandeld met een bamboestok door zijn echtgenote en dat hij zich, ondanks zijn kennis van eerdere mishandelingen en zijn vrees voor ernstige gevolgen, niet had vergewist van haar toestand nadat hij van verdere mishandelingen hoorde. Hierdoor had hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer hulpeloos was en liet hij deze toestand voortduren.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewezenverklaring voldoende heeft gemotiveerd en dat het opzet van verdachte op het in hulpeloze toestand laten van het slachtoffer vaststaat. De klachten van verdachte dat het hof onvoldoende had bewezen dat hij opzettelijk handelde en dat het opzet onvoldoende was gemotiveerd, worden verworpen.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. De strafrechtelijke aansprakelijkheid van verdachte voor het opzettelijk in hulpeloze toestand laten van zijn stiefdochter wordt bevestigd.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 13 januari 2004.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat verdachte opzettelijk zijn stiefdochter in een hulpeloze toestand heeft gelaten.