ECLI:NL:HR:2004:AO1990
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- P.C. Kop
- E.J. Numann
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beëindiging omgangsregeling tussen vader en minderjarige zoon bevestigd
De moeder verzocht de rechtbank Utrecht om de omgangsregeling tussen de vader en hun minderjarige zoon, geboren in 1994, te beëindigen. De vader verzette zich hiertegen. De rechtbank besloot op 11 september 2002 de omgangsregeling te beëindigen. De vader ging in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, dat op 27 maart 2003 de beslissing van de rechtbank bekrachtigde.
Vervolgens stelde de vader beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren of het beroep te verwerpen. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van de vader en bevestigt daarmee de beëindiging van de omgangsregeling zoals vastgesteld door de lagere instanties. De beschikking werd gegeven door vice-president Neleman en raadsheren Kop en Numann, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Hammerstein op 19 maart 2004.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beëindiging van de omgangsregeling tussen vader en minderjarige zoon.