ECLI:NL:HR:2004:AO1990

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/074HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging omgangsregeling tussen vader en minderjarige zoon bevestigd

De moeder verzocht de rechtbank Utrecht om de omgangsregeling tussen de vader en hun minderjarige zoon, geboren in 1994, te beëindigen. De vader verzette zich hiertegen. De rechtbank besloot op 11 september 2002 de omgangsregeling te beëindigen. De vader ging in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, dat op 27 maart 2003 de beslissing van de rechtbank bekrachtigde.

Vervolgens stelde de vader beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren of het beroep te verwerpen. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was.

De Hoge Raad verwerpt het beroep van de vader en bevestigt daarmee de beëindiging van de omgangsregeling zoals vastgesteld door de lagere instanties. De beschikking werd gegeven door vice-president Neleman en raadsheren Kop en Numann, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Hammerstein op 19 maart 2004.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beëindiging van de omgangsregeling tussen vader en minderjarige zoon.

Uitspraak

19 maart 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/074HR
JMH/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De moeder],
verblijfhoudende te Nederland,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 26 juli 2002 ter griffie van de rechtbank te Utrecht ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2001 te wijzigen en de omgangsregeling tussen verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - en de uit een relatie van partijen op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] geboren minderjarige [de zoon] te beëindigen.
De vader heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 11 september 2002 beslist dat de bij beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2001 vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige wordt beëindigd.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 27 maart 2003 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 maart 2004.