ECLI:NL:HR:2004:AO8214
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- P.J. van Amersfoort
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek buitengewone lasten voor studerend kind in inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 51.463. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 45.932.
De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het door belanghebbende in aftrek gebrachte bedrag niet bovenmatig was, omdat het niet hoger was dan het bedrag dat nodig was om het studerende kind een redelijk bestaan te bieden overeenkomstig diens maatschappelijke positie.
De Hoge Raad verwierp het argument dat het studiebudget uit de Wet studiefinanciering 2000 maatgevend zou zijn voor de aftrek. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de aanslagvermindering van het Hof bevestigd.