ECLI:NL:HR:2005:AS9314
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verdachte als getuige bij vordering benadeelde partij in strafproces
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf voorwaardelijk, en waarbij de vordering van een benadeelde partij gedeeltelijk werd toegewezen.
De verdachte verzocht om als getuige te worden gehoord ter terechtzitting over de vordering van de benadeelde partij, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen. De Hoge Raad bevestigt dat het Nederlandse strafprocesrecht niet toestaat dat een verdachte als getuige wordt gehoord, ook niet wanneer het verhoor betrekking heeft op de civiele vordering van de benadeelde partij. Dit is in lijn met het beginsel van equality of arms en artikel 6 EVRM Pro.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd tot dertien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De overige middelen van cassatie worden verworpen, en het arrest van het hof wordt vernietigd uitsluitend voor wat betreft de strafmaat. De vordering van de benadeelde partij blijft ongewijzigd toegewezen.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 19 april 2005.
Uitkomst: Verzoek verdachte als getuige afgewezen; straf verminderd tot dertien maanden gevangenisstraf waarvan vier voorwaardelijk.