Conclusie
[verdachte]
middelbehelst de klacht dat het Hof de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de benadeelde partij als getuige onvoldoende heeft gemotiveerd.
Parket bij de Hoge Raad
In deze strafzaak werd de verdachte door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor verduistering en diefstal, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf, en werd een schadevergoedingsmaatregel van €601,92 toegewezen aan de benadeelde partij. De verdediging verzocht het hof om de benadeelde partij als getuige te horen over de vraag of de verdachte de gestolen goederen had teruggegeven. Dit verzoek werd door het hof afgewezen met verwijzing naar artikel 334 lid 1 Sv Pro en het beginsel van equality of arms.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit verzoek onjuist heeft afgewezen. De wet verbiedt de benadeelde partij getuigen aan te brengen ter onderbouwing van haar vordering, maar dit verbod staat niet in de weg aan een verzoek van de verdediging om juist de benadeelde partij zelf als getuige te horen. Het beginsel van equality of arms vereist dat partijen gelijke mogelijkheden hebben om hun zaak te presenteren, inclusief het horen van de benadeelde partij als getuige wanneer haar vordering wordt betwist.
Daarnaast stelt de Hoge Raad dat het hof zijn motivering omtrent de toewijzing van de schadevergoeding onvoldoende heeft onderbouwd, aangezien de verdachte stelde de goederen al te hebben teruggegeven. De zaak wordt daarom vernietigd voor zover het de beslissing op de schadevordering betreft en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De overige onderdelen van het arrest blijven in stand.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de beslissing op de schadevordering betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.