ECLI:NL:HR:2005:AT9028
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering wegens deelneming aan criminele vereniging onder Antilliaans recht
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een einduitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba over een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten aan een persoon verdacht van drugshandel en deelneming aan een criminele vereniging.
Het hof had de uitlevering toelaatbaar verklaard voor de meeste feiten, maar verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar voor specifieke feiten onder "Overt Acts" a en b bij Count 1 en 2, omdat het bewijsmateriaal volgens het hof onvoldoende was om aan de Nederlandse Antilliaanse maatstaf te voldoen.
De Hoge Raad stelt als maatstaf dat het niet hoogst onwaarschijnlijk moet zijn dat een Nederlands-Antilliaanse rechter de bewijsvoering later als voldoende bewezen zou achten. Gelet op de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele vereniging onder Antilliaans recht, waarbij niet vereist is dat misdrijven reeds zijn gepleegd of dat de deelnemer direct betrokken is, oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte de uitlevering voor genoemde feiten ontoelaatbaar heeft verklaard.
De Hoge Raad vernietigt daarom dat deel van de uitspraak en verklaart de uitlevering ook toelaatbaar voor de feiten onder "Overt Acts" a en b van Count 1 en 2. Het beroep van de opgeëiste persoon wordt verworpen. Er is geen grond voor ambtshalve cassatie.
De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 20 september 2005.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering toelaatbaar voor alle feiten, inclusief de betwiste overt acts, en verwerpt het beroep van de opgeëiste persoon.