Conclusie
ter zake van de in het verzoek genoemde feiten”.
in het verzoek genoemde feiten” wordt verwezen naar de feiten zoals die uiteen zijn gezet in het “
Affidavit in support of request for extradition”. Onder 4 overweegt het Hof namelijk het volgende: “
In het Affidavit is voldoende duidelijk omschreven ter zake van welke feiten de uitlevering wordt verzocht.” Onder 3 wordt onder het kopje van “
De overgelegde stukken” aangegeven dat tot het verzoek behoren: “
Een ‘Affidavit in support of request for extradition’, opgesteld en ondertekend door Matthew J. Langley, Assistant United States Attorney en mede ondertekend door John O’Sullivan, United States Magistrate Judge”.
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en “
het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van cocaïne”.
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte aan Monasterio Morena geen advocaat heeft toegevoegd, en heeft verzuimd Monasterio Morena te wijzen op zijn recht zich te laten bijstaan door een advocaat en de mogelijkheid om als on- of minvermogende om toevoeging van een advocaat te verzoeken. Dit zou in het bijzonder in strijd zijn met artikel 6 EVRM Pro, de artikelen 13 en 20 Landbesluit toevoeging in strafzaken en artikel 63 Wetboek Pro van Strafvordering Curaçao.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof in strijd met de artikelen 5 en 6 EVRM “
over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft beslist zonder dat was gewaarborgd dat de opgeëiste persoon zich hiertegen op behoorlijke wijze kon verdedigen.” De “
hoogst onbevredigende inhoud”van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, voldoet niet aan de “
minimale voorwaarden” die de uitleveringsprocedure “
moet bieden voor een eerlijk proces.” In het bijzonder zouden pendanten van de artikelen 26, 28, 29 en 30 Uitleveringswet ontbreken. In de toelichting wordt vervolgens expliciet stilgestaan bij het ontbreken van het voorschrift dat proces-verbaal van de zitting moet worden opgemaakt, bij de vraag of een onschuldverweer kan worden gevoerd, bij de vraag of aanspraak bestaat op het horen van getuigen en deskundigen, bij de vraag in hoeverre het Hof zijn advies moet motiveren en bij het moment waarop de opgeëiste persoon op vrije voeten moet worden gesteld nadat de uitlevering ontoelaatbaar is verklaard.
eerste middelis de inhoud van artikel 63 Sv Pro Curaçao van belang en van de artikelen 13 en 20 Landbesluit toevoeging in strafzaken.
een verdachte van een misdrijf, van wiens onvermogen voldoende is gebleken”. Het Landbesluit toevoeging in strafzaken, strekt blijkens de intitulé tot uitvoering van de artikelen 61, 62, 63, 68 en 69 Sv. Zo begint artikel 13, eerste lid, Landsbesluit als volgt: “
Indien artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafvordering van toepassing is […]”. Uit de tekst van de bepalingen volgt dat noch artikel 63 Sv Pro, noch het Landsbesluit toevoeging in strafzaken betrekking heeft op een opgeëiste persoon, op de grond dat hij in het kader van de uitleveringsprocedure niet als “
verdachte” wordt aangemerkt.
1. Dadelijk na de ontvangst van de in artikel 23 bedoelde Pro vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, zoveel mogelijk bij voorrang, het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij diens medebrenging bevelen.
1. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëiste persoon de behandeling der zaak met gesloten deuren verlangt, of het Hof, om gewichtige redenen, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, beveelt, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.
zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en met name ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad.” [3]
zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en met name ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad”. In de tweede plaats op basis van de ontwikkeling die het uitleveringsrecht heeft doorgemaakt nadat het Uitleveringsbesluit tot stand is gekomen.
Ingevolge artikel 3, aanhef en onder h, van het Statuut behoort de uitlevering tot de aangelegenheden van het Koninkrijk. Regelen omtrent zulke aangelegenheden kunnen bij een gewone wet worden vastgesteld, indien zij noch in Suriname noch in de Nederlandse Antillen gelden (artikel 14, derde lid). Voorgesteld wordt, van deze mogelijkheid gebruik te maken. Ook thans is de uitlevering voor de drie delen van het Koninkrijk afzonderlijk geregeld. Een uniforme regeling is trouwens onmogelijk, omdat de rechterlijke organisatie in de verschillende rijksdelen uiteenloopt. In Suriname en de Nederlandse Antillen bestaan alleen een Hof van Justitie en kantonrechters, respectievelijk een gerecht in eerste aanleg dat op verschillende plaatsen zitting houdt; deze landen zijn dan ook niet in arrondissementen verdeeld. Bovendien zouden de voor Nederland geschikte wettelijke termijnen daar moeilijkheden kunnen opleveren. Voorts is het, in verband met de geografische ligging van Suriname en de Nederlandse Antillen, twijfelachtig of het aangewezen kan zijn de mogelijkheid van uitlevering daar in dezelfde mate te verruimen als thans voor Nederland wordt voorgesteld; in elk geval staat dit niet bij voorbaat vast. Om deze redenen zouden de ondergetekenden thans willen volstaan met een herziening van het Nederlandse uitleveringsrecht. Mocht blijken dat ook in Suriname en de Nederlandse Antillen behoefte wordt gevoeld aan een nieuwe regeling op dit stuk, dan zijn zij gaarne bereid tot het plegen van het nodige overleg. Dit zou dan onafhankelijk van de behandeling van het onderhavige ontwerp, en van de gelijktijdig hiermee ingediende wetsontwerpen tot aanvulling van het Wetboek van Strafvordering en tot goedkeuring van de verdragen, kunnen plaatshebben.” [8]
nieuwe regeling op dit stuk” is in de jaren negentig van de twintigste eeuw wel verzocht door parlementaire delegaties van de landen van het Koninkrijk. [11] Vervolgens heeft de minister van Justitie van Nederland op 17 juli 1995 een gemengde ambtelijke werkgroep ingesteld met als taak de raad van ministers van het Koninkrijk van advies te dienen over de wijze waarop het Nederlandse-Antilliaanse Uitleveringsbesluit moest worden herzien. [12] De regering wilde zich onder meer bezinnen op de vraag of regels omtrent de uitlevering bij algemene maatregel van bestuur of bij wet in formele zin zouden moeten worden gesteld.
gecompliceerde aangelegenheid” is, waarover op een aantal punten overeenstemming tussen de landen van het Koninkrijk moet bestaan. Toen niet op alle punten overeenstemming kon worden bereikt, is het punt waarover wel overeenstemming bestond eruit gelicht en uitgewerkt. [13] Geen overeenstemming kon worden bereikt over de vorm van de rijksregeling waarin de nieuwe regeling zou worden neergelegd: een rijkswet alleen geldend voor de Nederlandse Antillen en Aruba of een Rijkskaderwet met uitwerking in de wetgeving van de drie landen. De vraag naar een “
integrale rijkswet uitlevering” bleef “
punt van aandacht”. [14]
De Nederlandse cassatieprocedure is dus grotendeels van overeenkomstige toepassing in Antilliaanse en Arubaanse uitleveringszaken.” De Nederlandse cassatieprocedure – en niet de Nederlandse uitleveringsprocedure – is dus de context van de daaropvolgende opmerking in de memorie van toelichting dat “
met het oog op de vereiste rechtseenheid, zoveel mogelijk aansloten wordt bij het systeem van de Nederlandse uitleveringswet en de daaromtrent door de Hoge Raad ontwikkelde jurisprudentie.” [15]
zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en met name ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad”.
[i]ndien niet blijkt dat de opgeëiste persoon reeds een raadsman heeft”.
dat de opgeëiste persoon thans op een ander[e] titel vastzit.” Op basis daarvan heeft het Hof mogen aannemen dat reeds een last tot toevoeging was gegeven. Dit sluit ook aan bij de overweging die in de memorie van toelichting ten grondslag is gelegd aan de regeling in artikel 24, derde lid, Uitleveringswet 1967:
Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman wordt zo nodig aan de verdachte onverwijld een andere raadsman toegevoegd.”
zo nodig” ontbreekt:
Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman wordt de verdachte een andere raadsman toegevoegd. De toegevoegde raadsman geeft van zijn verhindering of ontstentenis kennis aan de instantie die met de toevoeging is belast.”
verdachte” maar in artikel 29, tweede volzin, Uitleveringswet 1967 is bepaald dat voor zover de bepalingen die overeenkomstige toepassing vinden, betrekking hebben op de verdachte zij van overeenkomstige toepassing zijn op de opgeëiste persoon.
3.5. De woorden ‘zo nodig’ zijn in het eerste lid van art. 45 Sv Pro ingevoegd bij de Wet van 26 oktober 1973, Stb. 1973, 509 in werking getreden op 1 januari 1974. De Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel dat tot die wet heeft geleid, houdt ten aanzien van de ontwerp-art. 41-48 Sv het volgende in:
’ (Kamerstukken II, 1972, 9994, nr. 8, blz. 13)
’ (Kamerstukken II, 1968-1969, 9994, nr. 3, bijlage A, blz. 21)
tweede middelaangeduide klacht houdt in dat de artikelen 5 en 6 EVRM zijn geschonden “
doordat het Hof over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft beslist zonder dat was gewaarborgd dat de opgeëiste persoon zich hiertegen op behoorlijke wijze kon verdedigen.” Een dergelijke klacht kan niet als een cassatiemiddel als bedoeld in artikel 437, tweede lid, Sv worden aangemerkt bij gebrek aan een stellige en duidelijke klacht over de schending van een recht of het verzuim van vormen “
door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen”. [27]
vraagt de aandacht van uw Raad voor de hoogst onbevredigende inhoud van die regeling - beter gezegd: gebrek aan inhoud.” Dat levert echter geen als cassatiemiddel aan te merken klacht op.
derde middelbehelst de klacht dat het Hof heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of de opgeëiste persoon reeds het slachtoffer was geworden van een flagrante schending van het in artikel 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op een eerlijk proces dan wel na zijn uitlevering aan de Verenigde Staten zou worden blootgesteld aan een dreigende flagrante schending van hetzelfde recht.
onderliggende stukken blijkt dat [de opgeëiste persoon] door derden, die kennelijk door Amerikaanse opsporingsambtenaren werden aangestuurd (criminele burgerinfiltranten), was uitgelokt om de feiten, ter zake waarvan zijn uitlevering wordt gevraagd, te begaan”. Het middel voldoet op dit onderdeel niet aan de daaraan te stellen eisen, nu daarin die onderliggende stukken niet met de vereiste nauwkeurigheid zijn aangeduid, noch is aangegeven waaruit die uitlokking zou hebben bestaan.
criminele burgerinfiltranten” zijn ingezet. Wel wordt in de uiteenzetting van de feiten in het verzoek om voorlopige aanhouding en de “
Affidavit in Support of Request for Extradition” meegedeeld dat een “
undercover agent” van de Drug Enforcement Agency (DEA) naar Curaçao is gereisd en een DEA “
confidential source” op Curaçao contact heeft gelegd met [A] (de opgeëiste persoon in de samenhangende zaak). De inzet van een ‘undercover agent’ of een ‘confidential source’ staat echter niet gelijk aan uitlokking. Wel is mij opgevallen dat in de uiteenzetting van de feiten die is overgelegd bij het verzoek om voorlopige aanhouding wordt vermeld dat de confidential source “
advised [A] of the plan to transport cocaine to Florida” [29] en dat nadien – in de stukken die ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek zijn overgelegd – wordt vermeld dat de confidential source “
discussed with [A] a plan to transport cocaine to Florida”. De advisering door de confidential source van [A] – wat meer in de richting zou kunnen wijzen van uitlokking – is in de laatstgenoemde uiteenzetting afgezwakt tot een bespreking. Maar nogmaals: ik heb dat zelf moeten uitvinden aan de hand van de stukken van het geding en daarmee is gegeven dat het middel op dit onderdeel niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
vierde middelbehelst de klacht dat “
ten aanzien vancount 2
niet aan de eis van dubbele strafbaarheid is voldaan, althans de daaromtrent genomen beslissing zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is”. De feiten kunnen geen strafbare voorbereidingshandeling opleveren naar het recht van Curaçao omdat de feiten die in “
count 2” zijn uiteengezet, betrekking hebben op een koffer waarin zich weliswaar in de voorstelling van de opgeëiste persoon cocaïne zou bevinden, maar waarin zich volgens de uiteenzetting van de feiten in werkelijkheid “
sham cocaine” bevond.
count 2” zijn de feiten gekwalificeerd als “
attempted importation and distribution of cocaine into the United States, in violation of Title 21, United States Code, Sections 959(a)(2), 960(b)(1)(b)(ii), and 963, and Title 18, United States Code, Section 2”. De eis dat het feit strafbaar is “
krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen” [30] heeft geen betrekking op de kwalificatie van de feiten. [31] De kwalificatie naar het recht van de verzoekende staat en de kwalificatie naar het recht van de aangezochte staat behoeven niet identiek te zijn. In zoverre faalt het middel reeds.
count 2” betrekking heeft, merk ik het volgende op. De feiten waarvoor het Hof heeft geadviseerd de uitlevering toelaatbaar te verklaren zijn in de “
Affidavit in support of request for extradition” als volgt uiteengezet:
An investigation by the United States Drug Enforcement Administration (‘DEA’) revealed that the subjects of this extradition request, [A] and [de opgeëiste persoon], a/k/a ‘[…],’ beginning on an unknown date but no later than December 2014, and continuing through on or about January 26, 2015, conspired with others to distribute cocaine, intending that such controlled substance would be imported into the United States, in violation of United States law.
vijfde middelbehelst de klacht dat “
ten aanzien vancount 1
niet aan de eis van dubbele strafbaarheid is voldaan, althans de daaromtrent genomen beslissing zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is”. De feiten kunnen naar het recht van Curaçao – kort gezegd – geen deelneming aan een criminele organisatie opleveren omdat de “
vereiste duurzaamheid en continuïteit van het samenwerkingsverband die voorwaarde is voor” het hier toepasselijke art. 2:79 Sr Pro Curaçao, “
uit de door de Amerikanen geschetste feiten en omstandigheden noch uit de door het hof gedane vaststellingen volgen”.
count 1” zijn de feiten gekwalificeerd als “
conspiracy to import into the United States, from a place outside thereof, ten kilograms of cocaine, in violation of Title 21, United States Code, Sections 959(a)(2) and 963”. De eis dat het feit strafbaar is “
krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen”, heeft geen betrekking op de kwalificatie van de feiten. In zoverre faalt het middel reeds.
count 1” betrekking heeft, wijs ik eerst op de feiten waarvoor het Hof heeft geadviseerd de uitlevering toelaatbaar te verklaren, zoals die zijn uiteengezet in de “
Affidavit in support of request for extradition” en ik hierboven heb geciteerd.