ECLI:NL:HR:2005:AU0878
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest over vervreemding aanmerkelijk belang en verwijst zaak terug
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over een belastbaar inkomen van ruim 4 miljoen gulden, welke aanslag na bezwaar en beroep bij het hof werd gehandhaafd. Het geschil betrof het moment waarop de aandelen in een aanmerkelijk belang waren vervreemd in de zin van artikel 39 Wet Pro IB 1964 en het vijfjaarstermijnartikel uit het belastingverdrag Nederland-België.
De notaris had op 3 december 1996 een conceptakte verzonden waarin de overdracht van 90 preferente aandelen A in F B.V. aan H B.V. werd geregeld, met een koopprijs die toen nog ontbrak. De definitieve akte van 20 december 1996 vermeldde wel een koopprijs en dat het risico per die datum overging op de koper. Het hof oordeelde dat de vervreemding reeds op of vóór 3 december 1996 had plaatsgevonden, maar de Hoge Raad stelde vast dat dit oordeel niet verenigbaar was met de feitelijke gegevens en de bedoeling van belanghebbende om buiten de vijfjaarstermijn te blijven.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van de arrestmotieven. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten aan de zijde van belanghebbende. Het incidentele cassatieberoep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
De zaak betreft complexe fiscale en bestuursrechtelijke vraagstukken over het tijdstip van vervreemding van aandelen binnen het kader van het belastingverdrag en de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarbij de Hoge Raad de juiste juridische toetsing en feitelijke vaststelling benadrukt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met veroordeling van de Staat in de cassatiekosten.