ECLI:NL:PHR:2025:1215

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
24/04454
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hersteluitspraak en rechtsmiddelen in belastingzaken met betrekking tot immateriële schadevergoeding

In deze zaak gaat het om de vraag of een vergeten beslissing over het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden hersteld door middel van een hersteluitspraak. De belanghebbende had eerder een verzoek ingediend om vergoeding van immateriële schade, maar dit was niet opgenomen in de uitspraak van het Hof. Na een brief van de belanghebbende heeft het Hof een hersteluitspraak gedaan waarin de schadevergoeding van € 1.000 werd toegekend, maar ook een proceskostenvergoeding. De belanghebbende had echter al beroep in cassatie ingesteld tegen de oorspronkelijke uitspraak. De Hoge Raad oordeelt dat de hersteluitspraak geen rechtsmiddel openstelt en dat de oorspronkelijke uitspraak moet worden vernietigd. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en kent de vergoeding voor immateriële schade en proceskosten toe. De zaak behandelt ook de box 3-heffing en de vraag of deze in strijd is met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM. De Hoge Raad concludeert dat de klachten over de box 3-heffing niet slagen, maar dat de hersteluitspraak moet worden genegeerd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04454
Datum14 november 2025
BelastingkamerB
Onderwerp/tijdvakInkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
Nr. Gerechtshof 21/1566 en 21/1567
Nr. Rechtbank 20/4769 en 20/4770
CONCLUSIE
R.J. Koopman
In de zaak van
[X]
tegen
staatssecretaris van Financiën c.s.

1.Inleiding

1.1
Deze conclusie gaat over de fouten die een rechtbank of gerechtshof kan herstellen door middel van een hersteluitspraak en de rechtsmiddelen die daartegen aangewend kunnen worden.
1.2
In deze zaak heeft het Hof uitspraak gedaan op 30 oktober 2024. In een brief van 8 november 2024 heeft belanghebbende het Hof erop gewezen dat in de uitspraak niet is beslist op zijn verzoek om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vervolgens heeft het Hof door middel van een hersteluitspraak van 18 december 2024 zijn uitspraak aangevuld met een veroordeling van de Staat tot vergoeding van € 1.000 aan immateriële schade en met een proceskostenvergoeding ten laste van de Staat.
1.3
Ondertussen had belanghebbende al beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van 30 oktober 2024. En later schreef hij de Hoge Raad dat hij ook cassatieberoep instelt tegen de hersteluitspraak van 18 december 2024. De griffie van de Hoge Raad heeft laatstbedoeld schrijven aangemerkt als een nader stuk in de al lopende procedure tegen de uitspraak van 30 oktober 2024. Er is dus geen nieuw dossier aangelegd, geen afzonderlijk zaaksnummer toegekend en niet (nog eens) griffierecht geheven.
1.4
Na bespreking van de feiten (2.1-2.2), het geding in feitelijke instanties (2.3-2.11) en het geding in cassatie (3) volgt in deze conclusie een beschouwing over de hersteluitspraak (4) en daarna de bespreking van de klachten die in het cassatieberoep zijn aangevoerd (5).
1.5
De hersteluitspraak kent in het bestuursrecht geen wettelijke basis. In het burgerlijk procesrecht (art. 31 Rv) bestaat deze wettelijke basis wel, maar alleen voor verbetering van een ‘kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent’ (4.6). Een fout is ‘kennelijk’ indien het zowel voor partijen als derden niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat er een fout is gemaakt, waar die fout uit bestaat en hoe de fout hersteld moet worden. Zo’n herstelbare fout kan zowel in de motivering als in het dictum zijn opgenomen (4.10). In zowel het strafrecht als het bestuursrecht wordt art. 31 Rv op overeenkomstige wijze toegepast (4.3-4.4).
1.6
Tegen een hersteluitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend (4.11). Als er in de oorspronkelijke uitspraak een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv is geslopen, zal de hogere rechter die uitspraak in de regel ‘verbeterd lezen’, ongeacht of er een hersteluitspraak is gedaan. Het komt er dus op neer dat de hersteluitspraak is toegestaan als hij niet nodig is (4.14). Als de fout niet ‘kennelijk’ is in de zojuist bedoelde zin, is herstel ontoelaatbaar en zal de hogere rechter de hersteluitspraak negeren.
1.7
In het burgerlijk procesrecht kan het appelverbod tegen hersteluitspraken worden doorbroken als het gaat om een ontoelaatbare hersteluitspraak (4.17). In het wetsvoorstel Modernisering Strafvordering – dat bij de Eerste Kamer ligt – wordt die doorbrekingsgrond niet overgenomen. In plaats daarvan wordt ervan uitgegaan dat bij zo’n ontoelaatbare hersteluitspraak overschrijding van de appel- of cassatietermijn verschoonbaar kan zijn. Degene die gedupeerd wordt door die ontoelaatbare hersteluitspraak kan dan alsnog opkomen tegen de oorspronkelijke uitspraak (4.18).
1.8
Mij spreekt de strafrechtelijke lijn meer aan dan de civielrechtelijke. Beter dan het optuigen van een afzonderlijke rechtsgang tegen de hersteluitspraak, lijkt het mij om de zaak bijeen te houden. Dat kan door, waar nodig met toepassing van art. 6:11 Awb, aan iemand die gedupeerd wordt door een ongeoorloofde herstelbeslissing, de mogelijkheid te bieden om alsnog een rechtsmiddel aan te wenden tegen de oorspronkelijke uitspraak (4.22).
1.9
In deze zaak is door middel van de hersteluitspraak een fout hersteld die niet ‘kennelijk’ is in de zin van art. 31 Rv (5.1-5.3). De inhoudelijk juiste maar toch ontoelaatbare hersteluitspraak moet worden genegeerd en het cassatieberoep moet gegrond worden verklaard om de verbeteringen uit die ontoelaatbare hersteluitspraak alsnog aan te brengen (5.10).
1.1
Belanghebbende voert in cassatie ook klachten aan betreffende de box 3-heffing over 2016. Hij betoogt in het bijzonder dat die heffing strijdig is met het in art. 14 EVRM neergelegde discriminatieverbod en dat de Hoge Raad nog niet over die strijdigheid heeft geoordeeld. Naar mijn mening falen deze klachten (5.12-5.19).
1.11
De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank onder toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en een vergoeding voor de proceskosten in hoger beroep en in cassatie (5.20-5.21).

2.De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

2.1
Belanghebbende heeft aangiften IB/PVV voor de jaren 2015 en 2016 ingediend. De Inspecteur is bij de aanslagregeling afgeweken van die aangiften. Voor 2015 is de Inspecteur uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 53.300 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 15.866. Voor 2016 ging hij uit van een box 1-inkomen van € 49.986 en een box 3-inkomen van € 20.302.
2.2
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen die aanslagen voor zover zij het box 3-inkomen betreffen. De Inspecteur heeft de bezwaren, op verzoek van belanghebbende, aangehouden tot de beslissing van de Hoge Raad op de rechtsvraag die is opgenomen in het Beleidsbesluit van 26 juni 2015 [1] . Nadat de Hoge Raad op 14 juni 2019 [2] had beslist op die rechtsvraag, heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 13 januari 2020 de bezwaren afgewezen en de aanslagen gehandhaafd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant [3]
2.3
Bij de Rechtbank was in geschil of de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2015 en 2016 in strijd is met art. 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 1 EP) en of de regeling van het heffingsvrije vermogen in box 3 een inbreuk vormt op het in art. 63 VWEU neergelegde recht op vrij verkeer van kapitaal en het in art. 14 EVRM opgenomen gelijkheidsbeginsel.
2.4
De Rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het forfaitaire stelsel van box 3 onverbindend te verklaren en zelf te voorzien in het rechtstekort. De Rechtbank heeft daarbij verwezen naar het arrest van 2 juli 2021 [4] waarin de Hoge Raad het aan de wetgever laat om een eventuele schending van art. 1 EP op stelselniveau weg te nemen. De Rechtbank overwoog verder dat zij geen aanleiding zag om uit te gaan van een andere toetsingskader voor de individuele en buitensporige last dan het toetsingskader zoals uitgezet door de Hoge Raad.
2.5
Naar het oordeel van de Rechtbank faalt ook belanghebbendes beroep op het Europeesrechtelijk gelijkheidsbeginsel. De Rechtbank oordeelde dat de belastingwetgever met zijn keuzes binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge is gebleven.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 oktober 2024 [5]
2.6
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last gelet op zijn box 1-inkomen. Daarbij komt volgens het Hof dat voor de jaren 2015 en 2016 het werkelijk door belanghebbende behaalde rendement hoger was dan het forfaitaire rendement.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 december 2024 (hersteluitspraak) [6]
2.7
Op 18 december 2024 heeft het Hof een nieuwe uitspraak gewezen ter verbetering van de uitspraak van 30 oktober 2024. Het Hof constateerde naar aanleiding van een brief van belanghebbende van 8 november 2024, dat in de uitspraak per ongeluk niet is ingegaan op het ter zitting van het Hof gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade door belanghebbende.
2.8
Het Hof heeft telefonisch contact gehad met belanghebbende, waarbij belanghebbende ook heeft gevraagd om een proceskostenvergoeding bij toekenning van het verzoek om schadevergoeding. Het Hof heeft bij brief van 26 november 2024 aan beide partijen laten weten van plan te zijn een hersteluitspraak te doen. Daarbij is aan partijen een concept-tekst van de verbetering medegedeeld.
2.9
De Inspecteur is bij brief van 3 december 2024 akkoord gegaan met de hersteluitspraak. Belanghebbende heeft bij brief van 4 december 2024 te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de hersteluitspraak en heeft daarbij de verwachting uitgesproken dat wegens de toekenning van het verzoek ook het griffierecht wordt vergoed.
2.1
Door middel van de hersteluitspraak heeft het Hof de volgende wijzigingen aangebracht in de uitspraak van 30 oktober 2024:
“5. Herstel van de uitspraak brengt mee dat na r.o. 4.3 de volgende passage wordt toegevoegd:
‘Naar aanleiding van het verzoek om vergoeding van immateriële schade door belanghebbende stelt het hof vast dat de redelijke termijn voor het afdoen van het hoger beroep met 1 jaar is overschreden en dat belanghebbende daarom recht heeft op vergoeding van immateriële schade van 2 x € 500 = €1.000. Wegens de samenhang van beide zaken wordt deze vergoeding éénmaal toegekend. De vergoeding komt voorrekening van de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).
6. De tekst van r.o. 4.6 wordt vervangen door:
‘Het hof ziet aanleiding voor een vergoeding van de doorbelanghebbende gemaakte proceskosten voor de hogerberoepsfase. De proceskostenvergoeding bedraagt 1 punt x € 875 x 0,25 (gewicht van de zaak) = € 218,75. De proceskostenvergoeding komt voor rekening van de Staat.’
7. De tekst van r.o. 4.5 blijft in stand. Bij een ongegrond hoger beroep met toekenning van vergoeding van immateriële schade kent het hof geen vergoeding van griffierecht toe.
8. Aan r.o. 5 (beslissing) wordt toegevoegd:
‘- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 1.000,-
- veroordeelt de Staat in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep, vastgesteld op € 218,75’”
2.11
In de rechtsmiddelenverwijzing onderaan deze hersteluitspraak staat dat daartegen geen rechtsmiddel open staat.

3.Het geding in cassatie

3.1
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris en de Staat, vertegenwoordigd door de Raad voor de Rechtspraak, hebben een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Beroepschrift in cassatie
3.2
Belanghebbende heeft op 7 december 2024 een pro-forma beroepschrift in cassatie ingediend via het web-portaal van de Hoge Raad. Daarin staat onder meer:
“Er waren wat problemen met de schriftelijke uitspraak. Het plan is om hiervoor een hersteluitspraak af te geven. In afwachting van deze uitspraak verzoek ik u het beroep aan te houden. Voorlopig wil ik uitsluitend de bezwaartermijn stuiten.”
3.3
Op 17 januari 2025 heeft belanghebbende via het web-portaal van de Hoge Raad een kopie van de hersteluitspraak en de motivering van zijn cassatieberoep ingediend. Laatstgenoemd stuk vangt aan met de volgende woorden:
“Naast mijn beroep in cassatie tegen de hoofduitspraak stel ik ook beroep in cassatie in tegen de hersteluitspraak van 18 december 2024 van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de zaken met kenmerken BK-SHE 21/1566 en 21/1567.
Hierbij motiveer ik mijn beroep in cassatie tegen de hersteluitspraak en de hoofduitspraak.
In de hersteluitspraak stelt het Hof dat er geen beroep mogelijk is tegen die hersteluitspraak op basis van arrest ECLI:NL:HR:2013:1449. Echter, ik heb de gerechtvaardigde verwachting uitgesproken dat het griffierecht in de hoger beroepsprocedure dient te worden vergoed, zie de hersteluitspraak bij 4. In dat geval is beroep in cassatie mogelijk voor dit onderdeel van de hersteluitspraak.”
3.4
Ten aanzien van de uitspraak van 30 oktober 2024 komt belanghebbende in cassatie tegen de beslissing van het Hof om het forfaitaire stelsel van box 3 niet buiten toepassing te laten. Het Hof heeft die beslissing doen steunen op de rechtspraak van de Hoge Raad over strijdigheid van dat stelsel met art. 1 EP. Belanghebbende beroept zich echter op art. 14 EVRM en de Hoge Raad heeft volgens hem nog geen oordeel gegeven over het discriminatoire karakter van het voor 2016 geldende forfaitaire stelsel. Verder klaagt belanghebbende erover dat het Hof in overweging 4.3 heeft vastgesteld dat het voor 2016 in aanmerking genomen forfaitaire rendement € 6.090 bedraagt, terwijl in overweging 2.4 staat dat dit rendement door de Inspecteur is vastgesteld op € 20.302.
Verweerschrift in cassatie (Staatssecretaris)
3.5
Belanghebbende heeft niet voorafgaand aan het arrest van 31 mei 2024 [7] om vergoeding verzocht van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende voldoet daarom niet aan de overgangsregels die zijn gegeven in dat arrest. Van een schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (het vertrouwensbeginsel) door de Hoge Raad bij het wijzen van het arrest kan geen sprake zijn.
3.6
Belanghebbende heeft voor de jaren 2012, 2013 en 2014 ook tot aan de Hoge Raad geprocedeerd over het box 3-stelsel dat tot en met het jaar 2016 van toepassing was. Voor het jaar 2016 heeft de Hoge Raad in het arrest van 2 juli 2021 beslist dat hetgeen in het arrest van 14 juni 2019 is beslist met betrekking tot de jaren 2013 en 2014 ook heeft te gelden met betrekking tot het jaar 2016.
3.7
Belanghebbende klaagt erover dat het Hof niet de vraag heeft beantwoord of art. 14 EVRM is geschonden. De Staatssecretaris is van mening dat nu voor de jaren 2015 en 2016 geen sprake is van schending van art. 1 EP op stelselniveau, het in art. 14 EVRM neergelegde discriminatieverbod (in het kader van de proportionaliteitstoets) niet in beeld komt. Enkel voor het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel heeft de Hoge Raad geoordeeld dat degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement dit leidt tot een schending van zijn door art. 1 EP, in samenhang met art. 14 EVRM, gewaarborgde rechten.
3.8
Voor de vraag of het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel is geschonden, gaat het er niet om of gelet op de doelstellingen een andere keuze van de wetgever beter was geweest. Er dient slechts beoordeeld te worden of de door de wetgever gemaakte keuze al dan niet binnen zijn ruime beoordelingsmarge valt. Het Hof is er terecht van uitgegaan dat van een verboden discriminatie geen sprake is.
3.9
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende gelet op zijn box 1-inkomen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is getroffen door een buitengewone (individuele en buitensporige) last. Dat oordeel berust op aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard en is niet onbegrijpelijk. Overigens heeft het Hof voor het jaar 2016 de verschuldigde box 3-belasting van € 6.090 per abuis aangemerkt als het forfaitaire rendement. Dit doet niets af aan het oordeel van het Hof, aldus de Staatssecretaris.
Verweerschrift in cassatie (Raad voor de Rechtspraak)
3.1
De Staat stelt zich op het standpunt dat uit het arrest van 6 december 2013 [8] afdoende blijkt dat tegen een hersteluitspraak geen beroep open staat.
3.11
Indien wel cassatieberoep mogelijk is tegen de hersteluitspraak dan dient het cassatieberoep ongegrond te worden verklaard op grond van het arrest van 31 mei 2024 [9] . Belanghebbende merkt al zelf op dat niet aan beide overgangsregels voldaan wordt. Het vertrouwen van belanghebbende hoeft volgens de Staat niet uitdrukkelijk op te worden gezegd.
Repliek
3.12
Bij repliek heeft belanghebbende zijn verzoeken aangevuld met een verzoek om vergoeding van de proceskosten bij de drie voorafgaande procedures.
3.13
Belanghebbende stelt verder dat hij geen beroep doet op het vertrouwensbeginsel maar op het recht op een “fair trial”. Volgens belanghebbende blijft het oordeel van het Hof gebaseerd op overwegingen die ongegrond, onhoudbaar en onjuist zijn.
3.14
Als de box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met art. 1 EP, in samenhang met art. 14 EVRM, wanneer het werkelijk rendement lager is dan forfaitair, is die dat tot 2017 ook. De spreiding in het rendement op beleggingen is altijd erg hoog geweest. En als de Hoge Raad rechtsherstel biedt vanaf 2017 via het werkelijk rendement, zal dat ook voor de jaren tot 2017 moeten gelden, anders is er geen sprake van rechtseenheid, maar van rechtsongelijkheid en -onzekerheid, aldus belanghebbende.

4.Wat is een hersteluitspraak en wanneer is deze mogelijk?

Waar gaat dit hoofdstuk niet over?

4.1
Dit hoofdstuk gaat over hersteluitspraken. Die moeten niet worden verward met herzieningsuitspraken. Herziening is geregeld in Titel 8.6 van de Awb en is mogelijk op grond van een zogenoemd novum. De indiener van het verzoek tot herziening moet (kort gezegd) nadat de uitspraak is gedaan een feit hebben ontdekt dat tot een andere uitspraak zou hebben geleid en zich heeft voorgedaan vóór die uitspraak. De herziening strekt dus niet tot herstel van een door de rechter in de uitspraak gemaakte fout.
4.2
Dit hoofdstuk gaat ook niet over hersteluitspraken van de hoogste rechter. Rechters tegen wier beslissingen geen rechtsmiddel open staat (denk aan de Hoge Raad en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State) gaan ervan uit dat zij vrij vergaande bevoegdheden hebben tot herstel van fouten in hun beslissingen. [10] Dat is begrijpelijk omdat het voor alle betrokkenen moeilijk te verteren is dat er niets meer te doen zou zijn aan een beslissing die ook in de ogen van degenen die deze beslissing hebben genomen, fout is. Maar ook voor die hoogste rechters is deze bevoegdheid niet onbegrensd. Hij kan niet worden gebruikt als die rechter van gedachte verandert.
Hersteluitspraken van rechtbanken en gerechtshoven
4.3
Een rechter kan de uitspraak die hij heeft gedaan in beginsel niet meer wijzigen. Dit komt treffend tot uitdrukking in het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2012. In die zaak had het gerechtshof uitspraak gedaan, en nadien partijen laten weten dat er in die uitspraak een onjuistheid was geslopen die hersteld werd door toezending aan partijen van een gerectificeerde uitspraak. Deze rectificatie hield een aanpassing in van de motivering van een in het nadeel van de heffingsambtenaar van de gemeente Zwolle gegeven oordeel. Burgemeester en wethouders van Zwolle kwamen in cassatie. De Hoge Raad overwoog: [11]
“3.5.1. Het eerste middel betoogt terecht dat het Hof, nadat het op 9 november 2010 uitspraak had gedaan, niet meer de vrijheid had om de motivering van die uitspraak aldus te wijzigen. Nadat het Hof zijn uitspraak aan partijen had bekendgemaakt, had die beslissing rechtskracht gekregen en kon het Hof daar in beginsel geen wijzigingen meer in aanbrengen (vgl. HR 18 april 1990, nr. 25877, BNB 1990/195). Dat is slechts anders indien sprake zou zijn van verbetering van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent (vgl. artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Van een zodanige fout is in dit geval geen sprake.
3.5.2.
Tot cassatie kan dit echter niet leiden. Het hiervoor in 3.5.1 overwogene brengt mee dat de op 16 november 2010 aan partijen toegezonden gewijzigde uitspraak in cassatie buiten beschouwing moet blijven (zie HR 6 juli 2010, nr. 08/00167, LJN BJ7243). In cassatie dient daarom de op 9 november 2010 als eerste aan partijen toegezonden uitspraak te worden beoordeeld.”
4.4
Voor zijn oordeel dat de gewijzigde uitspraak buiten beschouwing moet blijven, verwijst de Hoge Raad in het hiervoor gaande citaat naar zijn in een strafzaak gewezen arrest van 6 juli 2010. In die zaak had het gerechtshof beslist dat de verdachte aan de benadeelde partij € 400 moest betalen, en bij niet betalen een vervangende hechtenis opgelegd kreeg van 8 dagen. Een maand later wees het hof een herstelarrest dat erop neer kwam dat de vervangende hechtenis werd geschrapt omdat sprake was van een kennelijke vergissing. Dat mocht niet van de Hoge Raad: [12]
“3.4. Nu de door het Hof in "het herstelarrest" genoemde "omissie" niet een onmiddellijk kenbare fout, verschrijving of verrekening betrof, stond het het Hof niet vrij een "herstelarrest" te wijzen, zodat dat arrest in cassatie buiten beschouwing moet blijven.”
4.5
Vervolgens oordeelde de Hoge Raad – het herstelarrest van het gerechtshof negerend – dat het hof bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten onrechte had bevolen dat bij gebreke van betaling vervangende hechtenis zou worden toegepast omdat de wet niet in die mogelijkheid voorziet. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest, maar alleen voor zover het die vervangende hechtenis betrof. Zo deed de Hoge Raad wat het gerechtshof al had geprobeerd te doen met het herstelarrest.
4.6
De mogelijkheid om een hersteluitspraak te wijzen heeft in het strafrecht [13] en het bestuursrecht geen wettelijke basis. In het civiele recht bestaat deze wettelijke basis wel. In art. 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat:
“1. De rechter verbetert te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechter gaat niet tot de verbetering over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
2. De verbetering wordt op een door de rechter nader te bepalen dag uitgesproken en wordt met vermelding van deze dag en van de naleving van de tweede volzin van het eerste lid op de minuut van het vonnis, het arrest of de beschikking gesteld.
3. Van de verbeterde minuut verstrekt de griffier op de dag van de uitspraak aan de in de oorspronkelijke procedure verschenen partijen een afschrift, zo nodig opgemaakt in executoriale vorm. Een eerder verstrekt afschrift opgemaakt in executoriale vorm verliest hierdoor zijn kracht. De partij die in het bezit is van een afschrift als bedoeld in de vorige zin, geeft dit af aan de griffier. Was de executie reeds aangevangen, dan kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet op grond van een na de verbetering afgegeven afschrift opgemaakt in executoriale vorm.
4. Tegen de verbetering of de weigering daarvan staat geen voorziening open.”
Kennelijke fouten [14]
4.7
Een rechtbank of gerechtshof kan dus alleen overgaan tot herstel van
kennelijkefouten, verschrijvingen of verrekeningen. Over de “
kennelijkheid” van de fouten schreef van Mierlo in het kader van art. 31 Rv het volgende: [15]
“Blijkens de bewoordingen van lid 1 moet het gaan om kennelijke fouten die zich bovendien moeten lenen voor eenvoudig herstel. Criterium is of voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 175). De fout moet — mede in het licht van de stellingen van partijen — niet voor redelijke twijfel vatbaar zijn en voor derden op het eerste gezicht duidelijk zijn (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 176). Het moet voor partijen en derden kenbaar zijn waarin de fout is gelegen (HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, NJ 2019/335 en HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1769, NJ 2021/389). Een verbetering van een met het dictum strijdige overweging kan niet als zodanig worden aangemerkt. Voor partijen en derden is niet kenbaar of de fout is gelegen in het dictum of in de desbetreffende overweging. Niet kan worden gezegd dat op voorhand aan de tekst van het dictum voorrang toekomt, omdat het dictum dient te worden uitgelegd in het licht van de overwegingen waarop het berust (HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:580, NJ 2019/186 (VGZ/Mr. van Brink q.q.)). Indien het dictum niet aansluit op de overwegingen in de uitspraak, kan dat wel een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een kennelijke fout (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 175). Een inhoudelijk verkeerde beoordeling van een geschilpunt leent zich niet voor verbetering op grond van art. 31. Hetzelfde geldt voor juridische fouten. Art. 31 leent zich ook niet ter aanvulling van de motivering van de oorspronkelijke uitspraak (zie conclusie A-G Wesseling-Van Gent (ECLI:NL:PHR:2007:AZ7906) voor HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7906, RvdW 2007/471 (Agrifim/X)). Wanneer niet kan worden gesproken van een ‘kennelijke fout’ in de zin van art. 31, is de ‘gewone’ weg van een rechtsmiddel de aangewezene (Nota, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 178).”
4.8
Uit het voorgaande leid ik af dat een hersteluitspraak enkel kan worden gedaan als het voor partijen en derden direct duidelijk is dat een fout is gemaakt en waaruit die fout bestaat. De fout leent zich voor eenvoudig herstel als direct duidelijk is hoe de uitspraak op dit punt wel had moeten luiden. Dit criterium kan worden doorgetrokken naar belastingzaken. Zo schreef Fortuin over de fouten die door de rechter zelf kunnen worden hersteld het volgende: [16]
“Een lagere rechter, die een verkeerde inhoudelijke beoordeling maakt (een fout in de vaststelling van de feiten en/of de juridische beoordeling van de feiten) of die een (ernstig) processueel verzuim begaat mag deze fout niet zelf herstellen. Het is dan aan partijen om door het (tijdig) aanwenden van rechtsmiddelen te voorkomen dat de onjuiste rechterlijke uitspraak onherroepelijk wordt.
Een fout, die wel zelf door de rechter kan worden hersteld is een fout die:
• niet voor redelijke twijfel vatbaar is, en
• voor derden op het eerste gezicht duidelijk is, en
• eenvoudig te herstellen is.”
4.9
De kennelijke fout kan zowel worden gemaakt in de motivering van de uitspraak als in het dictum van de uitspraak. Als het dictum onjuist is, maar uit de rest van de uitspraak onmiskenbaar blijkt hoe het dictum had moeten luiden, zal de fout in een hersteluitspraak kunnen worden hersteld. Het is dus niet per definitie zo dat het dictum niet kan worden aangepast met een hersteluitspraak.
4.1
Samengevat betekent dit het volgende. Kennelijke fouten kunnen worden hersteld bij hersteluitspraak. Een fout is kennelijk indien het zowel voor partijen als derden niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat er een fout is gemaakt, waar die fout uit bestaat en hoe de fout hersteld moet worden. Zo’n herstelbare fout kan zowel in de motivering als in het dictum staan.
Staat een rechtsmiddel open tegen een hersteluitspraak?
4.11
De hersteluitspraak zal ook worden bekendgemaakt aan de partijen. Het is dan de vraag of er een rechtsmiddel open staat tegen deze hersteluitspraak. Deze vraag is aan bod gekomen in het arrest van 6 december 2013 [17] . In die zaak had het gerechtshof ter verbetering van zijn eerder gedane uitspraak een zogenoemde hersteluitspraak gedaan. Daarbij werd een misslag in de motivering van de uitspraak hersteld. De beslissing zelf (het dictum) bleef ongewijzigd. Aan de voet van de hersteluitspraak had het gerechtshof vermeld dat daartegen geen rechtsmiddel openstaat. De belanghebbende in die zaak ging toch tegen die hersteluitspraak in cassatie. De Hoge Raad overwoog:
“4.2. Tegen een hersteluitspraak staat geen rechtsmiddel open. Er is geen aanleiding in het onderhavige geval een uitzondering op die regel aan te nemen. De enkele omstandigheid dat het Hof alvorens de hersteluitspraak te doen partijen niet in de gelegenheid heeft gesteld zich daarover uit te laten, maakt dit niet anders (vgl. HR 12 juni 2012, nr. 10/02620, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490).”
4.12
Het arrest waarnaar de Hoge Raad in dit citaat met een ‘vgl.’ naar verwijst is gewezen in een strafzaak. In de zaak die leidde tot dat arrest had het gerechtshof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Vier weken later maakt het hof een "herstelbeslissing" bekend inhoudende dat de verdachte bij het eerdere arrest was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De verdachte had cassatieberoep ingesteld tegen de eerste uitspraak, en dus niet tegen de herstelbeslissing. De Hoge Raad oordeelde:
“2.3 Opmerking verdient het volgende.
Blijkens HR 6 juli 2010, LJN BJ7243, NJ 2012/248 is het de feitenrechter in strafzaken toegestaan een zogenoemde herstelbeslissing te geven indien de oorspronkelijk gewezen beslissing, kort gezegd, een onmiddellijk kenbare fout bevat. Het is gebleken dat de uitoefening van deze bevoegdheid in de praktijk tot enkele vragen aanleiding heeft gegeven. Daarom voegt de Hoge Raad het volgende toe aan zijn eerdere arrest.
Het gaat hier om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de richtige executie van de uitspraak.
Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding in strafzaken de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich over een voorgenomen verbetering uit te laten.
Een herstelbeslissing dient te worden gewezen door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten (vgl. HR 10 januari 2012, LJN BT8778, NJ 2012/249). De griffier dient er zorg voor te dragen dat de herstelbeslissing wordt aangetekend op dan wel wordt gehecht aan het origineel van de uitspraak en per gewone brief ter kennis van de procespartijen wordt gebracht.
Tegen de verbetering (of de weigering daarvan) staat geen rechtsmiddel open. Een herstelbeslissing (of de weigering daarvan) heeft evenmin invloed op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel in de strafzaak.”
4.13
Hier wijkt de Hoge Raad af van de civiele regels. In art. 31(1) Rv (weergegeven in 4.6) is opgenomen dat de rechter niet tot verbetering over gaat dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld om zich daarover uit te laten. In het strafrecht (4.12) en in het belastingrecht (4.11) hoeft dat dus niet. Wel moet het in alle rechtsgebieden gaan om onmiddellijk kenbare of kennelijke fouten.
4.14
Het is in alle rechtsgebieden niet mogelijk om cassatie in te stellen tegen de hersteluitspraken. Dat is ook wel logisch omdat het gaat om een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Voor partijen en zelfs derden moet het op het eerste gezicht al duidelijk zijn dat het een kennelijke fout, vergissing of verrekening is, en ook moet duidelijk zijn hoe de uitspraak wel had moeten luiden. Ook zonder hersteluitspraak moeten partijen al hebben begrepen hoe de oorspronkelijke beslissing begrepen had moeten worden. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het arrest van 26 januari 2007 [18] , waarin de Hoge Raad een klacht verwierp omdat de gewraakte passage in de bestreden uitspraak berustte op een ‘kennelijke verschrijving’. De Hoge Raad legde uit wat er wel was bedoeld door het Hof en daarmee was de kous af. [19] Het komt er dus op neer dat de hersteluitspraak is toegestaan als hij niet nodig is. [20]
4.15
Toch is er ook kritiek op het niet kunnen aanwenden van rechtsmiddelen tegen de hersteluitspraak. Zo schrijft Fortuin het volgende: [21]
“Tegen een hersteluitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend. Ik acht dat onwenselijk. Door het herstel zal normaliter één van de partijen erop achteruit gaan. In het bijzonder wanneer deze partij niet in de gelegenheid is gesteld op de voorgenomen hersteluitspraak te reageren is de onmogelijkheid om op te komen tegen een hersteluitspraak onwenselijk. Vooral ook indien de hersteluitspraak wordt gedaan (lang) nadat de oorspronkelijke uitspraak onherroepelijk is geworden kan die uitspraak gevolgen hebben gehad, die een rechter, die de hersteluitspraak doet, niet kan overzien. Maar ook indien een hersteluitspraak wordt gedaan hangende het hoger beroep of het beroep in cassatie staat de partij die erop achteruit gaat met lege handen: het hoger beroep of beroep in cassatie strekt zich niet uit tot de hersteluitspraak. In dat geval moet een soepele toepassing van de regels van goede procesorde in de procedure inzake de oorspronkelijke uitspraak ertoe leiden dat partijen alsnog het debat kunnen voeren over de – vermeende – kennelijke fout. Hierbij denk ik met name aan een soepele toepassing van de regels van goede procesorde door de Hoge Raad in de cassatieprocedure. De Hoge Raad hanteert strikte regels voor de motivering van stukken en de indiening van nieuwe stukken, waar geen acht op wordt geslagen als deze regels niet zijn nageleefd.”
4.16
Indien het om zuivere hersteluitspraken gaat zoals de Hoge Raad voor ogen heeft gehad dan zie ik het probleem niet, het moet immers al voor beide partijen duidelijk zijn wat eigenlijk bedoeld is. Anders er geen plaats voor een hersteluitspraak. Dit neemt niet weg dat het in de praktijk zal voorkomen dat een rechter toch een ontoelaatbare hersteluitspraak doet. De vraag is hoe dan moet worden omgegaan met het appel- en cassatieverbod.
4.17
In het burgerlijk procesrecht geldt dan de zogenoemde doorbrekingsleer. Bakels c.s schrijven hierover in Asser Procesrecht: [22]
“Ingevolge art. 31 lid 4 Rv staat tegen de verbetering, of de weigering daarvan, geen voorziening open. Maar een tegen een zodanige beslissing ingesteld hoger beroep is volgens de doorbrekingsjurisprudentie van de Hoge Raad toch ontvankelijk indien appellant stelt dat buiten het toepassingsgebied van de betrokken bepaling, in dit geval art. 31 Rv, is getreden. Die klacht treft doel in gevallen waarin de rechter zijn eerder uitgesproken overweging of beslissing ten onrechte heeft aangemerkt als een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare, fout in de zin van dit artikel. Langs deze weg kan dus worden opgekomen tegen een ten onrechte uitgesproken aanvulling of verbetering, ook als daarover is geklaagd na het verstrijken van de beroepstermijn van de verbeterde uitspraak. In geval van een ten onrechte aangebrachte ‘verbetering’ geldt voor de verbeteringsbeschikking namelijk een zelfstandige beroepstermijn. De appeltermijn van de verbeterde uitspraak zelf blijft, ook na verbetering, ongewijzigd. Bij onzekerheid of de rechter de uitspraak zal verbeteren, moet dus veiligheidshalve mede appel of cassatieberoep worden ingesteld.”
4.18
In het strafrecht kan het appel- en cassatieverbod in dit soort zaken niet worden doorbroken. Dat verandert niet als de voorgestelde Wet Modernisering Strafvordering en de daarin opgenomen wettelijke regeling over de herstelbeslissing in werking treedt. Dat voorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. [23] Art. 4.6.1 t/m 4.6.3 van dat wetsvoorstel regelen de strafvorderlijke herstelbeslissing. Over de onmogelijkheid om appel of cassatie in te stellen tegen zo’n herstelbeslissing staat in de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer het volgende: [24]
“Tegen de verbetering van het vonnis staat geen rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 5.4.1 staat hoger beroep open tegen eindvonnissen. Een vonnis waarin enkel een kennelijke fout in een eindvonnis wordt rechtgezet is zelf niet een eindvonnis. In dit opzicht wordt een vergelijkbare keuze gemaakt als in het burgerlijk procesrecht (vgl. artikel 31, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Denkbaar is dat artikel 4.6.1 in een enkel geval wordt gebruikt om in een eindvonnis een wijziging aan te brengen die niet als een verbetering in de zin van dit artikel kan worden aangemerkt. Bij wijze van voorbeeld kan worden gewezen op het eerdergenoemde ECLI:NL:HR:2012:BW1478, waarin de verdachte aanvankelijk was veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf waarvan 10 voorwaardelijk, doch de rechter vervolgens een herstelbeslissing wees waarin aan de verdachte slechts 10 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk werd opgelegd. In dergelijke uitzonderlijke gevallen is denkbaar dat tegen het eindvonnis alsnog hoger beroep kan worden ingesteld. Hoger beroep is bij overschrijding van de termijn die de wet stelt ontvankelijk indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de desbetreffende procespartij in verzuim is geweest. Een ontoelaatbare wijziging in het eindvonnis via een herstelbeslissing kan aanleiding zijn om tot dat oordeel te komen, als die wijziging ernstige twijfel zaait over de inhoud van het eindvonnis.”
4.19
Er wordt dus van uitgegaan dat bij een ongeoorloofd gebruik van de herstelbeslissing degene die daardoor benadeeld wordt alsnog een rechtsmiddel kan aanwenden tegen de oorspronkelijke beslissing. De ‘ernstige twijfel’ die de ongeoorloofde herstelbeslissing zaait over de inhoud van het eindvonnis kan dan reden zijn om in appel of cassatie die eindbeslissing te vernietigen.
4.2
Deze handhaving van het appel- en cassatieverbod tegen herstelbeslissingen is in lijn met de kritiek die Bemelmans c.s. hadden geuit op een eerder voorstel dat strekte tot het openstellen van een rechtsmiddel tegen niet-toelaatbare verbeteringen van strafrechtelijke beslissingen. Zij betoogden dat beter in de behoefte aan rechtsbescherming van degenen gedupeerd worden door zo’n ontoelaatbare verbetering kan worden voorzien door een overschrijding van de appel- of cassatietermijn tegen de oorspronkelijke eindbeslissing verschoonbaar te achten. [25]
4.21
Er zijn aanwijzingen dat in het belastingrecht de civielrechtelijke doorbrekingsgronden worden aanvaard. In het arrest van 6 december 2013 (4.11) oordeelde de Hoge Raad namelijk dat er
in dat gevalgeen aanleiding was om een uitzondering op de regel aan te nemen dat tegen een hersteluitspraak geen rechtsmiddel openstaat. Voorts gaan Pieterse en Schreinemachers ervan uit dat in het belastingrecht het rechtsmiddelverbod tegen hersteluitspraken doorbroken kan worden. [26]
4.22
Mij spreekt de strafrechtelijke lijn meer aan dan de civielrechtelijke. Beter dan het optuigen van een afzonderlijke rechtsgang tegen de hersteluitspraak, lijkt het mij om de zaak bijeen te houden. Dat kan door, in het bestuursrecht waar nodig met toepassing van art. 6:11 Awb, aan iemand die gedupeerd wordt door een ongeoorloofde herstelbeslissing, de mogelijkheid te bieden om alsnog een rechtsmiddel aan te wenden tegen de oorspronkelijke uitspraak. Dat sluit ook aan bij de in de Awb op verschillende plaatsen opgenomen concentratiebepalingen [27] , die ertoe strekken in het belang van de proceseconomie versnippering van procedures te voorkomen. [28]
4.23
Als belanghebbende in de nu voorliggende zaak naar aanleiding van zijn brief van 8 november 2024 (2.7) en het daarop volgende telefoongesprek (2.8) had gedacht dat het allemaal goed zou komen door een hersteluitspraak, en hij had de termijn voor het instellen van cassatie tegen de uitspraak van 30 oktober 2024 laten verstrijken, dan had hij lelijk op zijn neus gekeken als het Hof hem in de hersteluitspraak een te lage schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn had toegekend. En de vertegenwoordiger van de Staat (de Raad voor de Rechtspraak) had raar opgekeken als er bij die hersteluitspraak een te hoge schadevergoeding was toegekend. In beide gevallen meen ik dat degene die gedupeerd wordt door de onjuiste of onterechte hersteluitspraak alsnog de mogelijkheid zou moeten krijgen om (met toepassing van art. 6:11 Awb) een rechtsmiddel in te stellen tegen de oorspronkelijke beslissing.
4.24
Ik meen dat dan de beoordeling in de hogere instantie (in dit geval: in cassatie) als volgt moet plaatsvinden. Eerst moet onderzocht worden of er inderdaad een kennelijke fout was die zich leende voor eenvoudig herstel. Als dat niet zo is, moet de uitspraak zoals die oorspronkelijk is gedaan (dus vóór het herstel) worden getoetst. Als dat wel zo is, dan zou de hogere rechter de bestreden uitspraak ook zonder hersteluitspraak verbeterd hebben gelezen (4.14) en dat moet dan ook in dit geval gebeuren. De bestreden uitspraak en de hersteluitspraak moeten dan als het ware geconsolideerd worden beoordeeld door de hogere rechter. [29]

5.Beoordeling van het cassatieberoep

Vooraf: Is dit een toelaatbare hersteluitspraak?

5.1
Door middel van de hersteluitspraak (2.10) heeft het Hof alsnog de aanvankelijk vergeten vergoeding voor immateriële schade toegekend, samen met de bijbehorende proceskostenvergoeding. Tevens heeft het Hof bij die hersteluitspraak het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van griffierecht afgewezen.
5.2
Ik meen dat niet gezegd kan worden dat het voor de partijen of voor derden op het eerste gezicht al duidelijk moet zijn geweest wat er aan de oorspronkelijke uitspraak mankeerde. De fout die hier gemaakt is, kan pas duidelijk worden door bestudering van het dossier. Daaruit blijkt dat belanghebbende aanspraak maakte op die schadevergoeding. Het niet opnemen van de vergoeding van immateriële schade voor de overschrijding van de redelijke termijn is daarom mijns inziens niet een kennelijke fout maar een ‘gewone’ fout.
5.3
Dit betekent naar mijn mening dat het Hof deze fout niet meer kon herstellen. Dit heeft tot gevolg dat de tweede uitspraak buiten beschouwing moet blijven. Omdat belanghebbende binnen de termijn van zes weken beroep in cassatie heeft ingesteld tegen de uitspraak van 30 oktober 2024, hoeft art. 6:11 Awb niet van stal te worden gehaald.
Vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht
5.4
Tegen de uitspraak van 30 oktober 2024 (de eerste uitspraak) heeft belanghebbende op 7 december 2024 beroep in cassatie ingesteld; dus nog voordat de hersteluitspraak is gewezen.
5.5
De hersteluitspraak is gewezen naar aanleiding van een brief van belanghebbende van 8 november 2024. Daarin staat het volgende:
“Ik heb de uitspraak gezien. In de pleitnota is verzocht om vergoeding van immateriële schade. Dat zie ik niet terugkomen. Kunt u mij uitleggen waarom daar geen uitspraak over gekomen is en hoe dit kan worden rechtgetrokken?”
5.6
Deze brief had mijns inziens op grond van art. 6:15 Awb naar de Hoge Raad moeten worden doorgezonden als beroepschrift in cassatie. Het ‘rechttrekken’ waar belanghebbende naar vraagt kon namelijk niet door het Hof zelf gedaan worden (4.10). De enige mogelijkheid daartoe was een cassatieprocedure. Ik meen daarom dat de klacht van belanghebbende over het niet opnemen van het verzoek om immateriële schade onderdeel is van zijn cassatieberoep over de eerste uitspraak, net als zijn verzoek om vergoeding van zijn proceskosten en van het door hem betaalde griffierecht.
5.7
De klacht over de vergoeding van immateriële schade en van de proceskosten slaagt. In het proces-verbaal van de zitting voor het Hof staat dat belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof heeft in zijn (ongeoorloofde) hersteluitspraak vastgesteld dat de termijn voor het afdoen van het hoger beroep met 1 jaar is overschreden en dat belanghebbende daarom recht heeft op vergoeding van immateriële schade van 2 x € 500 = € 1.000. Omdat het om twee zaken ging wordt de vergoeding eenmaal toegekend. Ik acht dit juist. Ook de proceskosten zijn in die ongeoorloofde hersteluitspraak terecht toegekend en op zichzelf bezien juist berekend.
5.8
Ten aanzien van het griffierecht geldt dat in het arrest van 31 mei 2024 [30] is geoordeeld dat de rechter niet langer een veroordeling tot vergoeding van griffierecht hoeft uit te spreken in de gevallen waarin het beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is maar er wel een vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend:
“7.1.1 (…) De heffing van griffierecht vindt plaats vanwege het instellen van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, en voor vergoeding daarvan door het bestuursorgaan bestaat alleen aanleiding indien dat beroep gegrond is en dus terecht is ingesteld, of indien het weliswaar ongegrond is maar is ingesteld als gevolg van een andere tekortkoming van dat bestuursorgaan. De Hoge Raad is thans van oordeel dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht daarom niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. Dit geldt zowel bij verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarop de met ingang van 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 Awb van toepassing is,9 als bij verzoeken om schadevergoeding waarop met overeenkomstige toepassing van het tot 1 juli 2013 geldende artikel 8:73 Awb wordt beslist.
7.1.2
De hiervoor in 7.1.1 weergegeven wijziging geldt niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden. Aldus wordt een aanspraak op vergoeding van griffierecht geëerbiedigd die voortvloeit uit een daartoe vóór de datum van dit arrest gedaan verzoek op basis van de toenmalige rechtspraak van de Hoge Raad.”
5.9
Belanghebbende heeft het verzoek om immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn gedaan bij de zitting van het Hof. Deze zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2024. Deze datum valt na de datum van het arrest (31 mei 2024) zodat niet wordt voldaan aan de eerste voorwaarde. Het griffierecht hoeft dus niet te worden vergoed.
5.1
De hersteluitspraak is dus inhoudelijk juist, maar toch ontoelaatbaar. Die hersteluitspraak moet daarom in cassatie formeel worden genegeerd. Dat betekent dat de Hoge Raad na gegrondverklaring van het cassatieberoep en vernietiging van de uitspraak van 30 oktober 2024, alsnog de vergoeding voor immateriële schade van € 1.000 en een proceskostenvergoeding moet toekennen. De vergoeding voor de kosten van het hoger beroep moet worden vastgesteld naar de tarieven die gelden in het jaar waarin de Hoge Raad arrest wijst. [31]
5.11
Belanghebbende stelt in cassatie dat de in de hersteluitspraak opgenomen vergoeding voor immateriële schade nog niet aan hem is uitbetaald en dat hij daarom vraagt om vergoeding van rente vanwege het uitblijven van betaling. Omdat de hersteluitspraak moet worden genegeerd zal de Hoge Raad voor het eerst de schadevergoeding vaststellen en begint de betalingstermijn pas te lopen nadat de Hoge Raad arrest heeft gewezen. De Hoge Raad kan in zijn arrest opnemen dat de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van het arrest. [32]
De klachten over de box 3-heffing
5.12
Belanghebbende voert in cassatie ook klachten aan die niets met de hersteluitspraak te maken hebben, maar gaan over – kort gezegd – de box 3-problematiek.
5.13
In de eerste plaats formuleert belanghebbende een motiveringsklacht tegen de vaststelling (overweging 4.3) van het Hof dat het voor 2016 in aanmerking genomen forfaitaire rendement € 6.090 bedroeg. Belanghebbende wijst er in dit verband op dat in 2.4 van de bestreden uitspraak staat vermeld dat de Inspecteur het box 3-inkomen voor 2016 heeft vastgesteld op € 20.302. De Staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift (blz. 7) opgemerkt dat het Hof per abuis de voor 2016 verschuldigde box 3-belasting heeft aangemerkt als het forfaitaire rendement.
5.14
Op zichzelf bezien klaagt belanghebbende terecht over deze fout. Maar met de Staatssecretaris meen ik dat dit niet tot cassatie moet leiden. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet wordt getroffen door een individuele en buitensporige last wordt zelfstandig gedragen door de in overweging 4.3 opgenomen verwijzing naar het door belanghebbende genoten box 1-inkomen.
5.15
Belanghebbende betoogt verder dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroep op art. 14 EVRM. Hij stelt dat de Hoge Raad nog geen oordeel heeft gegeven over de vraag of het stelsel van box 3 voor de jaren tot en met 2016 een ongeoorloofde discriminatie oplevert. Hij meent dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord en dat dit meebrengt dat die discriminatie moet worden weggenomen door aan te sluiten bij het werkelijk rendement. Daarom, zo betoogt belanghebbende, moet zijn box 3-heffing voor het jaar 2016 worden gebaseerd op het door hem werkelijk behaalde rendement van € 7.732. Deze klacht ziet dus enkel op de aanslag voor het jaar 2016.
5.16
Voor het jaar 2016 heeft de Hoge Raad in het arrest van 2 juli 2021 [33] beslist dat hetgeen in het arrest van 14 juni 2019 [34] is beslist met betrekking tot de jaren 2013 en 2014 ook heeft te gelden met betrekking tot het jaar 2016. In zijn arrest van 20 mei 2022 [35] is de Hoge Raad expliciet ingegaan op de vraag wat het kerstarrest [36] betekent voor de box 3-heffing voor onder andere het jaar 2016. De Hoge Raad overwoog:
“Ten aanzien van de heffing in box 3 over daaraan voorafgaande jaren, handhaaft de Hoge Raad zijn voordien gevormde rechtspraak. Die komt erop neer dat voor zover de heffing in box 3 volgens het toenmalige stelsel een inbreuk op artikel 1 EP oplevert, de rechter alleen rechtsherstel kan bieden voor zover aannemelijk is dat de heffing voor de belastingplichtige een individuele en buitensporige last oplevert.”
5.17
Belanghebbende stelt mijns inziens terecht dat het Hof heeft verzuimd te responderen op zijn beroep op art. 14 EVRM en het daarin neergelegde discriminatieverbod. Eveneens terecht stelt belanghebbende dat de Hoge Raad zich in de arresten van 14 juni 2019 en 20 mei 2022 niet heeft uitgelaten over de mogelijke strijdigheid van het voor 2015 en 2016 geldende stelsel van box 3 met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM.
5.18
Opmerking verdient in dit verband dat art. 14 EVRM niet een algemeen discriminatieverbod bevat. Het verdragsartikel verplicht de lidstaten om
het genot van de rechten en vrijheden die in dat verdrag zijn vermeldzonder enig onderscheid te verzekeren. De verdragsbepaling verbiedt dus niet discriminatie
as such. [37] Belanghebbende heeft niet gesteld in relatie tot welk ander verdragsrecht hij gediscrimineerd zou worden. In de context van een belastingprocedure ligt het echter voor de hand om daarvoor te kijken naar art. 1 EP. En dat brengt ons bij de eerdergenoemde arresten van 14 juni 2019 en 20 mei 2022. Daarin beoordeelde de Hoge Raad in het kader van een toetsing aan art. 1 EP de proportionaliteit van het box 3-stelsel voor de jaren 2014 en 2014 (het arrest van 14 juni 2019) en 2016 (het arrest van 20 mei 2022). De beoordeling van die proportionaliteit op stelselniveau en van de buitensporige last op individueel niveau ligt zo dicht bij een beoordeling van de vraag of zich een ongeoorloofde ongelijke behandeling voordoet, dat ik mij niet goed kan voorstellen dat een afzonderlijke toetsing aan het discriminatieverbod van art. 14 EVRM in samenhang met art. 1 EP zou kunnen leiden tot een wezenlijk andere uitkomst, dan die van deze twee arresten.
5.19
Art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM bevat wel een zelfstandig discriminatieverbod. Maar ook die bepaling kan naar mijn mening belanghebbende niet helpen. De toetsing aan art. 1 EP in de arresten van 14 juni 2019 en 20 mei 2022 bracht de Hoge Raad tot het eindoordeel dat er op stelselniveau een verdragsschending was, maar dat de rechter niet in het daarmee gepaard gaande rechtstekort kon voorzien, omdat de daartoe te maken keuzes niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet zijn af te leiden. Dit geldt mijns inziens evenzeer voor een rechtstekort dat ontstaat als geoordeeld wordt dat het voor 2016 geldende stelsel strijdig zou zijn met art. 1 van het Twaalfde protocol. Ik meen daarom dat deze klacht niet tot gegrondverklaring van het cassatieberoep kan leiden.
Slotsom
5.2
De klacht van belanghebbende over de vergoeding voor zijn immateriële schade slaagt (5.10). De klachten van belanghebbende over de box 3-heffing voor het jaar 2016 kunnen niet slagen (5.14, 5.18 en 5.19). De hersteluitspraak van 18 december 2024 moet worden genegeerd en de uitspraak van 30 oktober 2024 moet worden vernietigd.
5.21
De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. De stukken van het dossier laten geen andere conclusie toe dan dat (1) de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd, (2) een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegekend en (3) dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de proceskosten die hij heeft moeten maken voor het instellen van hoger beroep en beroep in cassatie.

6.Conclusie

Ik concludeer tot gegrondverklaring van het cassatieberoep en afdoening van de zaak door de Hoge Raad.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting als massaal bezwaar, 26 juni 2015, nr. BLKB2015/903M.
2.HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816. (betreffende 2023 en 2014).
3.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 november 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:5634.
4.HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.
5.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3396.
6.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 december 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4068.
7.HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
8.HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1449.
9.HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
10.Zie hierover M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Wolters Kluwer, Deventer, 2014, par. 14.3 en M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Wolters Kluwer, Deventer, vierde druk 2017, par. 6.1.2 (slotalinea’s).
11.HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2583.
12.HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243.
13.Zie over het voorstel tot modernisering van het Wetboek van Strafvordering op dit punt J.H.B. Bemelmans c.s., Herstelbeslissingen van de feitenrechter wettelijk geregeld: een verbetering?, Delikt en Delinkwent 2019/54.
14.Citaten zijn opgenomen zonder voetnoten.
15.A.I.M. van Mierlo, Tekst en commentaar burgerlijke rechtsvordering, art. 31 Rv, paragraaf 2.a.
16.P. Fortuin,
17.HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1449.
18.HR 26 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU8561. Zie ook HR 6 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8855 (herstel van twee kennelijke verschrijvingen), HR 12 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1998 (ovw. 3.3), HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97 (ovw. 2.2), HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3442 (ovw. 4.1), HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8992, HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0878 en HR 29 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4164.
19.Zie ook M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Deventer 2014, blz. 364/365: “Ook als de lagere rechter een onmiddellijk kenbare vergissing heeft gemaakt in zijn uitspraak, pleegt de HR niet op die grond te casseren maar de uitspraak verbeterd te lezen en op die basis de desbetreffende motiveringsklacht ongegrond te verklaren”. En voorts Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/189.
20.Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, ovw. 2.2 onder c.
21.P. Fortuin,
22.Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4 2022/186.
23.Wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, Kamerstukken I, 2024/2025, 36 327, nr. C (Gewijzigd voorstel van Wet) art. 4.6.1 (Herstelbeslissingen).
24.Kamerstukken II, 2022-2023, 36 327, nr. 3, blz. 1118.
25.J.H.B. Bemelmans c.s., Herstelbeslissingen van de feitenrechter wettelijk geregeld: een verbetering?, Delikt en Delinkwent 2019/54.
26.L.J.A. Pieterse en M.A. Schreinemachers, Herziening in belastingzaken, Deventer, 4e druk 2020, par. 5.3 (slot).
27.Bijvoorbeeld art. 4:19, art. 4:125, art. 5:31c, art. 5:39 en art. 6:19 Awb.
28.Zie hierover M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Deventer, 6e druk 1017, par. 6.2.7.8.
29.Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/111: “De strekking van de verbetering is dat het gebrekkige vonnis voortaan wordt begrepen overeenkomstig het herstelvonnis”.
30.HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
31.HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203.
32.HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
33.HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.
34.HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.
35.HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720.
36.HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021.
37.Zie bijvoorbeeld EHRM 22 januari 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0122JUD004354602, (EB vs Frankrijk) ovw. 47.