ECLI:NL:HR:2005:AU8536

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41253
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20i lid 2 Wet IB 1964Artikel 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Invloed werknemersparticipatieplan op waardebepaling aanmerkelijk belang aandelen

Belanghebbende betwistte de door de Inspecteur vastgestelde verkrijgingsprijs van aandelen die tot zijn aanmerkelijk belang behoren. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de verkrijgingsprijs vastgesteld zonder voldoende rekening te houden met het Participatieplan voor werknemersparticipatie.

Het Hof had geoordeeld dat het Participatieplan geen invloed had op de waarde van de aandelen per 1 januari 1997, mede omdat er geen uitzicht was op een overname boven de Performance Prijs. De Hoge Raad oordeelde dat dit een onjuiste rechtsopvatting is, omdat bij waardebepaling ook de objectieve kans op verkoop buiten de restricties van het Participatieplan moet worden meegenomen.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem voor herbeoordeling met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nieuwe behandeling met inachtneming van de juiste waarderingsgrondslagen.

Uitspraak

Nr. 41.253
23 december 2005
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te T (Verenigd Koninkrijk), domicilie gekozen hebbende te U, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 augustus 2004, nr. BK-03/03565, betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 20i, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Bij beschikking van 27 augustus 1999 heeft de Inspecteur de verkrijgingsprijs van aandelen welke tot een door belanghebbende gehouden aanmerkelijk belang behoren, vastgesteld op ƒ 7.088.250. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, is de verkrijgingsprijs bij uitspraak van de Inspecteur vastgesteld op ƒ 6.637.268.
Vervolgens heeft de Inspecteur bij beschikking van 23 juni 2000 de verkrijgingsprijs van deze aandelen nader vastgesteld op ƒ 708.825, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen laatstbedoelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. De uitspraak van dit hof van 18 februari 2002 is op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën bij arrest van de Hoge Raad van 12 december 2003, nr. 38151, BNB 2004/213, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft voor zijn oordeel dat niet valt in te zien dat belanghebbende de Inspecteur omtrent het bestaan van het Participatieplan had moeten inlichten als redengeving gehanteerd dat voor de vaststelling van de waarde per 1 januari 1997 van de desbetreffende aandelen uitgegaan mocht worden van de uiteindelijke verkoopprijs. In zijn verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk is waarom het Participatieplan voor die vaststelling geen betekenis had.
3.2. Na verwijzing heeft het Hof voor de beoordeling van de waarde van de aandelen op 1 januari 1997 beslissend geacht de
toestand zoals die op dat tijdstip was en de toen bestaande verwachtingen omtrent toekomstige feiten en omstandigheden die voor de waardebepaling van betekenis zijn. Het Hof heeft vervolgens als relevante omstandigheden in aanmerking genomen het negatieve eigen vermogen van B Holding BV, een kwijtschelding door ING Bank en een inkoop van eigen aandelen door B om niet, alle in het jaar 1996. Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat aannemelijk is dat de participanten bereid zouden zijn het Participatieplan te beëindigen in geval een goed bod op de aandelen B zou worden uitgebracht, maar tevens dat niet aannemelijk was dat op 1 januari 1997 uitzicht bestond op een overname tegen een prijs boven de Performance Prijs, als gedefinieerd in het Participatieplan.
3.3. Voor de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van de onderhavige aandelen moet worden uitgegaan van de verkoopprijs, zijnde de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald. Nu op 1 januari 1997 - in het geval van een goed bod op de aandelen - bereidheid bestond het Participatieplan te beëindigen, is voor de onderhavige aandelen daarbij in aanmerking te nemen de objectieve kans dat zij niet binnen de restricties van het Participatieplan maar in het kader van de verkoop van het gehele aandelenpakket zullen worden aangeboden. Voor het bepalen van die kans is niet slechts van belang of op dat moment uitzicht bestond op een verkooptransactie in de nabije toekomst, maar ook of in het algemeen in het marktsegment waarin de vennootschap werkzaam is, belangstelling bestond voor de overname van bedrijven als die van de vennootschap. Als het Hof bij zijn oordeel uitsluitend is uitgegaan van het mogelijk bestaan van uitzicht op overname op korte termijn, heeft het een onjuiste rechtsopvatting gebezigd. Als het mede in aanmerking heeft genomen of in het betrokken marktsegment in het algemeen belangstelling als hiervoor bedoeld bestond, is zijn oordeel, ook in het licht van de overname die in de tweede helft van 1997 heeft plaatsgevonden, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Het eerste middel, waarin ligt besloten de klacht dat het Hof ten onrechte het bestaan van de objectieve kans op de verkoop van de onderhavige aandelen zonder de restricties van het Participatieplan buiten aanmerking heeft gelaten, treft doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3.4. De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van de gedingen voor het Gerechtshof te Amsterdam en het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2005.