ECLI:NL:HR:2006:AR5760
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwijst zaak over verdragswoonplaats en vennootschapsbelasting terug naar hof
Belanghebbende kreeg voor 1996 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar door de inspecteur werd gehandhaafd. Het hof verklaarde het beroep gegrond en stelde dat belanghebbende vanaf 31 mei 1996 feitelijk in België was gevestigd, waardoor de verdragswoonplaats België werd. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling of belanghebbende feitelijk in België is onderworpen aan belasting, zoals bedoeld in artikel 4, § 1, van het belastingverdrag Nederland-België. De Hoge Raad stelt dat feitelijke onderworpenheid onvoldoende is zonder dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de Belgische belastingheffing rechtsgeldig is volgens Belgisch recht.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof over de feitelijke leiding niet onbegrijpelijk is, maar vernietigt het arrest vanwege de onjuiste maatstaf en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling. Proceskosten worden niet aan de Hoge Raad toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.