ECLI:NL:PHR:2009:AY9937
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitleg Griekse belastingplicht voor verdragsinwonerschap
De zaak betreft de vraag of een vennootschap, opgericht naar Nederlands recht maar feitelijk geleid in Griekenland, voor toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Griekenland als inwoner van Griekenland kan worden aangemerkt. De belanghebbende stelde dat zij op grond van haar feitelijke leiding in Griekenland onderworpen was aan de Griekse vennootschapsbelasting, ondanks het uitblijven van aanslagen door de Griekse fiscus.
Het Hof had geoordeeld dat de belanghebbende inwoner van Griekenland was, gebaseerd op summiere buitenlandse publicaties over het Griekse belastingrecht en de feitelijke leiding in Griekenland. De inspecteur betwistte dit en stelde dat feitelijke onderworpenheid, zoals het opleggen van aanslagen, vereist is.
De Hoge Raad bevestigt dat het verdrag geen vereiste stelt dat feitelijk belasting betaald moet zijn om als inwoner te gelden. De uitleg van het Griekse recht door het Hof, hoewel mager onderbouwd, is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad benadrukt dat de uitleg van buitenlands recht in cassatie slechts marginaal wordt getoetst en dat het Hof voldoende motivering heeft gegeven door de belanghebbende overgelegde bronnen te volgen.
De Hoge Raad wijst erop dat de inspecteur onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de belanghebbende onderworpen is aan de Griekse belasting en dat de inspecteur geen gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden tot inlichtingenuitwisseling. Het beroep van de Staatssecretaris wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het Hof-oordeel bevestigd dat de belanghebbende inwoner van Griekenland is voor het belastingverdrag.