Conclusie
“medeplegen van gewoontewitwassen”, 2.
“medeplegen van valsheid in geschrift”, 3.
“oplichting”,4.
“witwassen”, 5.
“ingevolge de Belastingwet verplicht voor raadpleging beschikbaar te stellen boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, voor dit doel in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd en opzettelijk een bij de Belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd” en 6. “medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.
eerste middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1. In het bijzonder bevat het de klacht dat het hof, in strijd met het recht op informatie (art. 6, derde lid onder a, EVRM) en in strijd met het karakter van het voortbouwend appel, een verrassingsbeslissing heeft genomen.
bevindingenwaarop die redenering is gestoeld ter terechtzitting voor te houden. Tot meer verplicht deze bepaling niet.
gezocht.
tweede middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om kennisneming van de (in een andere strafzaak) inbeslaggenomen financiële administratie van [betrokkene 1], het zgn. Enclave-NN dossier.
mogelijkebewijs- en betrouwbaarheidsverweren.
Overwegingen ten aanzien van voorwaardelijk gedane algemene verzoeken van de verdediging
anderemogelijkheden heeft gehad om inzicht te krijgen in de (financiële) zaken van [betrokkene 1]. Het hof wijst daarbij nadrukkelijk op vier getuigen ([betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 7]) die – blijkens hun verklaring – goed op de hoogte waren van de administratie van [betrokkene 1]. Die mogelijkheden hebben, zo lees ik de overwegingen van het hof, evenwel niet geleid tot een gegrond vermoeden dat zich in het Enclave NN-dossier nog (andere) stukken bevinden die redelijkerwijs van belang zijn in de onderhavige strafzaak. Het verzoek om voeging dan wel kennisneming van de gehele financiële administratie van [betrokkene 1] bezit dan ook de kenmerken van een “
fishing expedition”. In het licht van het voorgaande komt het oordeel van het hof dat toewijzing van het verzoek niet noodzakelijk is mij niet onbegrijpelijk voor.
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 voor zover betrekking hebbende op het oordeel dat de tiende betaling van [betrokkene 1] aan de verdachte uit misdrijf afkomstig was niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het hof zich heeft beroepen op bepaalde niet in de gebezigde bewijsmiddelen vermelde gegevens zonder met voldoende mate van nauwkeurigheid aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.
vierde middelbetreft feit 1 en klaagt dat het hof is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat een lening als verstrekt aan HSIJ werkelijk is afgelost en dat die aflossing onderdeel vormt van de tien betalingen, zonder voor die afwijkende beslissing een toereikende motivering te geven.
vijfde middelbetreft de motivering van feit 1. Het middel klaagt dat het hof zonder in het bijzonder de redenen hiervoor op te geven is voorbij gegaan aan het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij de verdachte de (voor witwassen) vereiste wetenschap ontbrak, nu niet is gebleken van betalingen aan [betrokkene 3] door de verdachte.
nietin de lijn der verwachting dat een (omvangrijke) betaling van de verdachte richting [betrokkene 3] zou kunnen worden getraceerd, net zo min als een spoor van het ‘parkeren’ van gelden ten behoeve van [betrokkene 3]. Hoe zou dát in de boeken moeten worden verantwoord?
zesde middelklaagt dat het hof in strijd met art. 6, eerste en derde lid onder d, EVRM de bewezenverklaring van feit 1 in beslissende mate heeft gebaseerd op de verklaringen van één getuige die door de verdediging niet ondervraagd kon worden en dat het hof heeft nagelaten de verdediging in staat te stellen de verklaringen van die getuige in voldoende mate te onderzoeken en te betwisten.
"4.1 Bruikbaarheid bewijsmiddelen
(..) Allereerst stelt de verdediging dat [betrokkene 1] als de belangrijkste getuige en de enige leverancier van direct bewijs tegen verdachte nooit door de verdediging bevraagd is kunnen worden. Dit behoeft op grond van Europese jurisprudentie inhoudelijke compensatie, hetgeen volgens de verdediging niet meer mogelijk is.
solely or to a decisive degree) mag berusten op de eerdere verklaring van die getuige. [17] Een veroordeling die uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van een niet ter terechtzitting ondervraagde getuige hoeft evenwel niet automatisch te resulteren in een schending van het recht op een eerlijk proces, zolang er voldoende compenserende factoren (
counterbalancing factors) in acht zijn genomen, waaronder het bestaan van voldoende sterke procedurele waarborgen die een eerlijke en adequate beoordeling van de betrouwbaarheid van dat bewijs mogelijk maken (
procedural safeguards). [18] In dat licht acht het EHRM de volgende vragen dus van belang: (i) was er een noodzaak om de verklaring van de niet ondervraagde getuige tot het bewijs toe te laten; (ii) vormde de niet getoetste verklaring het enige of beslissende bewijsmateriaal; en (iii) waren er voldoende compenserende factoren aanwezig waren, waaronder sterke procedurele waarborgen, om zeker te stellen dat de berechting in zijn geheel bezien eerlijk was in de zin van artikel 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM.
decisive’) bewijs tegen de verdachte. Het gaat daarbij om de schriftelijke weergave van de zogeheten “achterbankgesprekken” en de “dagboekaantekeningen”. Blijkens de hiervoor onder 44 weergegeven bewijsoverweging heeft het hof zich ervan rekenschap gegeven dat voor het gebruik als bewijs van de verklaringen van [betrokkene 1], is vereist dat voldoende compenserende maatregelen zijn getroffen om de verdediging in staat te stellen de verklaringen van [betrokkene 1] inhoudelijk te betwisten. Voorts heeft het hof onderkend dat stevige eisen moeten worden gesteld aan de kwaliteit van het aanwezige steunbewijs. Deze overweging hangt, naar ik begrijp,
nietsamen met de vraag of [betrokkene 1] de doorslaggevende bron was van het belastende bewijsmateriaal, want die vraag had het hof al positief beantwoord. Zij houdt volgens mij verband met de vraag naar de ‘counterbalancing factors’. [19] Daarbij kan namelijk de bewijswaarde (betrouwbaarheid) van de verklaringen van [betrokkene 1] mede in de overwegingen van de feitenrechter worden betrokken, zonder dat daartoe uitsluitend steunbewijs uit een van [betrokkene 1] onafhankelijke bron in aanmerking mag worden genomen. Het hof heeft aan de geloofwaardigheid van de tot [betrokkene 1] te herleiden informatie een (hierboven aangehaalde) overweging gewijd, waarvan de begrijpelijkheid in cassatie op zichzelf niet wordt aangevochten.
veledoor de verdediging op dit punt naar voren gebrachte onderzoekswensen zijn toegewezen, dat een aanzienlijk aantal getuigen op dit punt is gehoord, alsmede dat de verdediging de gelegenheid heeft gekregen de “achterbankgesprekken” te beluisteren en naar aanleiding daarvan verbeteringen in de transcripties heeft doen aanbrengen. Van schending van art. 6 EVRM Pro is in mijn ogen dan ook geen sprake.
zevende middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 4 (witwassen).
onderdeel ide klacht dat het hof onder meer art. 7 EVRM Pro heeft geschonden door bewezen te verklaren dat sprake is geweest van witwassen, terwijl het ging om vermenging van geld voor de datum van inwerkingtreding van de witwasbepaling en de verdachte na die datum niet méér heeft gedaan dan het voorhanden hebben van aandelen. Voorts wordt blijkens de toelichting op
onderdeel iigeklaagd over het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de ƒ 2,9 miljoen van misdrijf afkomstig is. Ten slotte klaagt
onderdeel iiiover de verwerping van een bewijsverweer.
Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4
onderdeel iwordt, met een beroep op het legaliteitsbeginsel (art. 7 EVRM Pro), geklaagd dat het voor de verdachte niet voorzienbaar was dat zijn vermogen werd “besmet” door de overboekingen van de bedoelde 8,85 miljoen gulden en dat hij zodoende niet kon voorzien dat hij per 14 december 2001 strafbaar zou handelen door geen afstand te doen van dat deel van zijn vermogen dat is vermengd met geldbedragen die afkomstig zijn van (vermeende) misdrijven. Derhalve is de bewezenverklaring in strijd met het verbod van terugwerkende kracht. [20]
by one of our clients”; dat het bedrag van [betrokkene 1] afkomstig was, die al in 1994 in verband werd gebracht met XTC-handel en het witwassen van crimineel geld; dat de verdachte al in 1996/1997 door een medewerker op de hoogte was gebracht van de omstandigheid dat banken en makelaars hem tegenwierpen dat er met [betrokkene 1] werd samengewerkt en dat de verdachte volgens eigen zeggen (daarom) eind 1997 de banden met [betrokkene 1] wilde verbreken; dat de verdachte een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd omtrent de titel op grond waarvan het geld aan hem is betaald; dat (het merendeel van) het geld na ontvangst telkens kort na elkaar is doorgeboekt naar verschillende bankrekeningen. Anders dan het middel wil, acht ik deze gevolgtrekking door het hof niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het oordeel dat bedoeld bedrag van misdrijf afkomstig is bovendien toereikend en zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting gemotiveerd.
onderdeel iiigeklaagd over het oordeel van het hof dat door vermenging van de bewezenverklaarde geldbedragen (van 5,95 miljoen en 2,9 miljoen gulden) het totale overgeboekte bedrag van 37 miljoen gulden is “besmet”.
achtste middelklaagt over het (impliciete) oordeel van het hof dat de onder feit 5 genoemde vennootschappen ingevolge de belastingwet verplicht waren om boeken bescheiden en andere gegevensdragers en of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, alsmede dat het hof niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat deze verplichting enkel rustte op Merwede Group BV.
“([a-straat 1], [plaats])
([b-straat 1], [plaats])
([c-straat 1], [plaats])
([d-straat 1], [plaats])
([g-straat 1], Londen)
volledigte citeren. Het arrest houdt in zoverre het volgende in:
Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5
Inkeer
verzochtom de gegevens. Gegevensverstrekking door een groepsmaatschappij of vrijwillig verstrekte gegevens vallen niet onder het bereik van genoemde bepalingen. Het enkele gegeven dat de stukken zijn verstrekt in het kader van een boekenonderzoek binnen een groep maakt niet dat de vennootschap op wie de stukken betrekking hebben onder de reikwijdte van art. 47 AWR Pro valt, aldus de stellers van het middel.
nietaan de orde gesteld. Ik zal mij beperken tot hetgeen het middel te berde brengt. In dat verband het volgende.
gevraagd. Het verzoek constitueert de verplichting.
negende middelklaagt over ’s hofs motivering van de strafoplegging.
Ingevolge de Belastingwet verplicht voor raadpleging beschikbaar te stellen boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, voor dit doel in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”.Naar mijn inzicht is daaruit kennelijk abusievelijk weggevallen de bewezenverklaarde passage die is ontleend aan artikel 69, tweede lid (oud) AWR, te weten: terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Verbeterd gelezen zou deze kwalificatie derhalve dienen te luiden:
Ingevolge de Belastingwet verplicht voor raadpleging beschikbaar te stellen boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan,en dezevoor dit doel in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen,terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven enterwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.