ECLI:NL:HR:2006:AU8070

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00337/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
  • J. de Hullu
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 288 SvArt. 440 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing getuigenverzoek wegens onwaarschijnlijke verschijning

In deze strafzaak heeft het hof het verzoek van de verdediging om een getuige te horen afgewezen. De getuige had weliswaar een origineel statement aan de verdediging overgelegd, maar was niet verschenen op de terechtzitting en reageerde niet op een aangetekende oproeping in het Nederlands naar zijn adres in Jamaica.

Het hof concludeerde dat de getuige niet bereid was vrijwillig naar Nederland te komen en dat het niet aannemelijk was dat hij binnen een aanvaardbare termijn zou verschijnen. Deze feitelijke conclusie werd door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk geacht.

De verdachte was veroordeeld voor medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en had cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof.

De zaak illustreert het belang van de beoordeling van de bereidheid van buitenlandse getuigen om te verschijnen en de toereikendheid van oproepingsmaatregelen, ook indien de oproeping niet in de taal van de getuige is gesteld.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de omstandigheden zorgvuldig had meegewogen en dat het beroep geen aanleiding gaf tot vernietiging van het arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

18 april 2006
Strafkamer
nr. 00337/05
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 augustus 2004, nummer 20/002184-02, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Roermond van 13 maart 2002 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder C (oud) van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv Pro berustende beslissing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het doen horen van [getuige 1] als getuige.
3.2. Aan het in het middel bedoelde verzoek is het volgende voorafgegaan:
(i) ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2003 heeft de verdediging een verzoek gedaan om [getuige 1] als getuige te horen;
(ii) het Hof oordeelde het noodzakelijk [getuige 1] te horen en stelde de stukken in handen van de Rechter-Commissaris;
(iii) bij brief van 18 februari 2004 heeft de Rechter-Commissaris het dossier teruggestuurd, omdat men niet in staat was geweest een adres van [getuige 1] te achterhalen;
(iv) blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2004 heeft de verdediging bij brief wederom verzocht [getuige 1] als getuige te horen; bij die brief heeft de verdediging een per fax ontvangen verklaring van [getuige 1] gevoegd waarop het adres van [getuige 1] te Jamaica stond vermeld;
(v) de Advocaat-Generaal heeft op diezelfde terechtzitting medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de oproeping van [getuige 1], waarop het onderzoek door het Hof is geschorst tot 28 juli 2004;
(vi) de Advocaat-Generaal heeft per aangetekende brief op 24 juni 2004 een in het Nederlands gestelde oproeping van [getuige 1] voor de terechtzitting van 28 juli 2004 naar het adres op Jamaica gestuurd;
(vii) per brief van 21 juli 2004 heeft de raadsman een brief aan de Advocaat-Generaal gestuurd met als bijlage "het inmiddels door mij ontvangen origineel schrijven van [getuige 1], waarvan ik U eerder het door mij per fax ontvangen exemplaar zond", in verband met een vergelijkend handschriftonderzoek te verrichten door het NFI, ten aanzien waarvan het NFI per brief van 6 juli 2004 had laten weten daarvoor minimaal te moeten kunnen beschikken over een origineel;
(viii) [getuige 1] is niet verschenen op de terechtzitting van 28 juli 2004.
3.3. Het Hof heeft ter motivering van zijn afwijzing het volgende overwogen:
"Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter mede.
Het hof stelt vast dat de oproeping van de getuige [getuige 1] niet in de Engelse taal is gesteld. De oproeping van de getuige is op 24 juni j.l. aangetekend verzonden naar het adres in Jamaica, zoals dat staat vermeld in de schriftelijke verklaring van de getuige [getuige 1] d.d. 10 mei 2004.
Hierop is van de zijde van getuige tot op heden geen reactie gekomen.
Wel heeft de getuige kennelijk gereageerd op het verzoek om het origineel van zijn "statement" naar de raadsman op te sturen.
Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat de getuige [getuige 1] niet van plan is vrijwillig naar Nederland te komen. Het is derhalve onaannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.
Het verzoek van de raadsman om de getuige [getuige 1] ter terechtzitting te horen wordt mitsdien door het hof afgewezen.
Het hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak."
3.4. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit de brief van 21 juli 2004 van de raadsman, waarbij deze het originele "statement" van [getuige 1] aan de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft gezonden, afgeleid dat de verdediging tussen 6 en 21 juli 2004 contact met [getuige 1] over de onderhavige strafzaak tegen de verdachte moet hebben gehad, waarbij [getuige 1] is verzocht om overlegging van het origineel van zijn "statement". Uit de omstandigheid dat [getuige 1] daaraan heeft voldaan, maar in het geheel niet heeft gereageerd op de aan zijn door de verdediging opgegeven adres op 24 juni 2004 per aangetekende brief verzonden - en niet terugontvangen - oproeping, waarin onder meer de naam van de verdachte en de datum van de terechtzitting van 28 juli 2004 zijn vermeld, heeft het Hof vervolgens afgeleid dat [getuige 1] niet bereid was om ter terechtzitting van het Hof te verschijnen. Die gevolgtrekking van het Hof is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Dat de oproeping in de Nederlandse taal was gesteld doet hieraan niet af. Het Hof heeft deze omstandigheid immers uitdrukkelijk bij zijn beslissing betrokken en heeft kennelijk geoordeeld dat deze omstandigheid, gelet op het contact tussen [getuige 1] en de verdediging alsmede op het feit dat [getuige 1], naar uit de ook aan het Hof bekende stukken volgt, reeds eerder in Nederland voor zijn aandeel in de onderhavige zaak is vervolgd en veroordeeld, niet in de weg stond aan het oordeel dat niet met redelijke waarschijnlijkheid te verwachten was dat [getuige 1] op een nadere terechtzitting wel zou verschijnen.
3.5. Het middel faalt derhalve.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 18 april 2006.