Conclusie
eerste middelklaagt over de beslissing van het hof op een verzoek om getuigen te horen. De motivering van die afwijzende beslissing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zij, aldus het middel, onbegrijpelijk. In eerste aanleg zijn beide verzochte getuigen niet gehoord. In hoger beroep is bij appelschriftuur wederom verzocht de getuigen te horen, maar weer kon aan dat verzoek geen gevolg gegeven worden. Ter terechtzitting in hoger beroep is het verzoek herhaald. De advocaat heeft toen het belang van verdachte bij het verhoor van deze getuigen benadrukt en erop gewezen dat niet eens is geprobeerd om de getuigen op te roepen. De steller van het middel wijst erop dat er kennelijk geen (nader) rechtshulpverzoek is uitgegaan en evenmin pogingen zijn gedaan om een videoverhoor te organiseren. Het horen van deze getuigen zou voor de verdediging relevant zijn in verband met de stelling van verdachte dat hij en zijn gezin bedreigd zijn en dat hij daarom een zekere medewerking heeft verleend.
Horen getuigen.
tweede middelklaagt over de motivering van de strafoplegging die tekort zou schieten gelet op hetgeen de verdediging over een eventuele bestraffing heeft aangevoerd.
derde middelkeert zich tegen de strafmotivering. In hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat een veroordeling in Denemarken [7] , die in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, op de voet van artikel 63 Sr Pro bij de strafoplegging in aanmerking zou moeten worden genomen. Het hof heeft dat niet gedaan, maar heeft die weigering ontoereikend gemotiveerd. De steller van het middel stelt dat door toepassing van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties de executie van de Deense straf een binnenlandse aangelegenheid is geworden en dat de verdergaande Europese integratie voor verdachten en veroordeelden ook relevant moet worden geacht, met als gevolg dat artikel 63 Sr Pro hier ook moet worden toegepast.